1194434040-75241

Abraham van Royen (1730-1818) was dominee in Noordwijk aan Zee van 1755 tot 1790. Na zijn emeritaat had hij blijkbaar genoeg van ‘Zee’ en betrok hij een huisje aan de Offemweg in ‘Binnen’, waar hij op 10 juni 1818 overleed in de voor die tijd meer dan gezegende leeftijd van 88 jaar. Van Royen ontleende zijn betekenis voor Noordwijk aan het ambt dat hij vervulde en dat hij daarin naam en faam opbouwde – in ieder geval bij het door de reformatie gegrepen volksdeel – moge genoegzaam blijken uit het feit dat op de kaart van Noordwijk nog altijd fier een ‘Abraham van Royenstraat’ prijkt. Maar ik waag me niet aan een theologische verhandeling over Abrahams professionele wedervaren en al helemaal niet omdat het hier om een notoire protestant gaat, een type dat ik als katholiek nooit helemaal heb leren doorgronden.

Abraham van Royen ontleende wat mij betreft zijn grootheid aan zijn zelfverloochenende optreden op vrijdag 16 februari 1781 toen de Engelse Oost-Indiëvaarder ‘General Barker’ strandde in de branding ten noorden van het dorp. Naar verluidt was het Van Royen die het heft in handen nam en de reddingsactie organiseerde waardoor uiteindelijk zo’n 100 opvarenden konden worden gered. De verhalen spreken ook over de ‘bereidwillige’ ondersteuning van reder Jan Schonevelt en de scheepsbouwer Leendert van der Schalk: “enige hunner pinken werd tot redding zeewaarts getrokken”. Dat gebeurde overigens wel (dat zeggen de verhalen ook) op kosten van de dominee want ‘bereidwilligheid’ heeft natuurlijk ook een prijs. De Engelse Oost-Indische Compagnie, “getroffen door de bewonderenswaardige houding der Noordwijkse luijden met hun herder aan de spits,” schonk Van Royen als dank voor zijn heldhaftige inzet het niet geringe bedrag van 200 guinjes (nu zo’n 1200 €). De overige Noordwijkse redders vingen gezamenlijk 100 guinjes van de Engelsen (Schonevelt en van der Schalk zullen wel dubbel gevangen hebben met hun pinken).

Over de vraag of Van Royen het gulle bod ook daadwerkelijk heeft aangenomen verschillen de bronnen van mening. De ene zegt dat hij even beleefd als devoot weigerde, de andere zegt dat hij er als de kippen bij was om de premie te innen tot meerdere eer en glorie van God in het algemeen en het Noordwijks protestantisme in het bijzonder.

Van Royen zal geen persconferentie gegeven hebben, of misschien wel, maar het heette  toen nog niet zo. Wél staat een brief van hem afgedrukt in de Leeuwarder Courant van 24 februari 1781, waarin hij verslag doet van zijn activiteiten op het noorderstrand op die dramatische vrijdagmorgen. Ik neem een paar flarden uit zijn verslag over dat overigens gedateerd is op diezelfde 16e februari te Noordwijk-Buiten:

Deezen morgen ten half 8 uuren door eene myner Dogters onderricht geworden zynde, dat er een groot schip voor de Wal lag, dat waarschynlyk in nood was, alzoo het aanhoudend met zwaar geschut schoot, zoo ging ik uit, en zag het met ene fokke mast alleen nog staande. Dewyl ‘er geene schuiten aan de Wal, het water laag, en een voorvloed was: zoo kon niemand tot hulpe koomen. Dan eens scheen het naad de Wal te zeilen, dan weederom Zee te kiezen; doch hield aan met noodschooten te doen. Ten elfden uuren strandde het.

 

Het was geen misselijk schip wat daar aantipte aan Noordwijks strand en duinen. Van Royens betoog is feitelijk, eigenlijk heel journalistiek. Het lot is het lot en gejeremieer daarover is niet op zijn plaats. Ook de Here God vinden we in zijn betoog niet terug.

“Het Schip waarvan ‘t Wrak omtrent anderhalf uur van Strand ligt, is een Engelsch Oost Indisch Schip, koomende van Madras, waarop de Gouverneur van die plaats geweest, en met verscheiden van de manschap in Duins afgegaan is. Onder de 45 Man, die ‘er op gebleeven zyn, was de Schipper, de Secretaris en twee Knegts van den Gouverneur; benevens tien Fransche Krygsgevangenen, en zo men zegt ook twee Vrouwspersoonen. De Stuurman en zes andere Zielen zyn vervolgens ook gered; en men heeft ‘er nog zes op een stuk van ’t Wrak of een Vlot zien dryven, waarvan men meent, dat ‘er wel zoo veel afgespoeld zyn. Dit Schip hadt 20 Kisten met geld, veele Zyden Stoffen, Lywaaten (wat dat ook moge zijn), en een menigte van Kostbaarheden. Het Schip is ongemeen groot, en voerde 24 Stukken kanon, was van voor zyn laatste anker van de Reede afgeslaagen, en zonder Roet of Boot, toen ’t hier aan strand geraakte, daar ’t waarschynlyk geheel zal aan stukken slaan.”

Curieus is nog de vermelding dat de redders vanaf het strand ‘een hoenderhok’ zagen komen aandrijven, waarin later een dode man bleek te zitten. Men had er eerder geen aandacht aan besteed, in de veronderstelling waarschijnlijk dat het ding vol met kippen zat. En die hadden bij levensreddende werkzaamheden als deze nu eenmaal minder prioriteit.