willem.jpg

Willem Steenvoorden (tweede van links op de foto) was een broer van mijn grootmoeder. Ik kende hem alleen maar als een grote man die altijd gebruik moest maken van krukken en van een invalidewagen, waarmee hij niettemin lustig rondreed. Toen nog niet, zo te zien. Ik weet niet waardoor hij invalide is geworden. Er was een apocrief verhaal over stropen in de duinen, waarbij Ome Willem door een nijvere koddebeier was geraakt met een schot hagel.

Hij had in mijn herinnering altijd een stompje sigaar in zijn mond (ook toen al zo te zien). Hij was een expert in het slachten van kippen en konijnen en hij deed dat weinig omfloerst. Zo weinig omfloerst dat ik er een levenslange aversie aan heb overgehouden voor kip en konijn. Hij droeg buiten én binnen een hoed, die volgens mij zelfs bij het slapen niet af ging.

Hij vloekte vaak en altijd. Het gvd lag bij hem voor in de mond bestorven en viel in vrijwel iedere zin die hij sprak. Niet uit kwaaiigheid, want hij was de goedheid zelve. Als hij er was en als je met hem sprak dan hóórde je dat gevloek niet eens meer.

Op de foto wordt Ome Willem – nog valide en al – omringd door een roedel Vinken, waaronder Karel Vink, die later in zijn leven “De Beurs” aan de Voorstraat zou gaan uitbaten. Verder naar rechts Koos Vink (uit de Vinkenlaan, echt waar!) en Gerard Vink (uit de Tramsteeg). Misschien was het allemaal wel famielje. Ome Willem’s moeder, mijn overgrootmoeder, was ook een Vink.

(met dank aan De Blauwdotter)