lit1

lit3Ik heb eerder wel eens gespeurd naar het Noordwijkse meisje dat schuilging achter de romanfiguur Lien uit de roman “De Walgvogel” van Jan Wolkers. We waren al een eind op streek, geholpen door de separate speurtocht die de biograaf van Wolkers, Onno Blom, had ingezet. Bij het verschijnen van de biografie – “Het Litteken van de Dood” – is  het plaatje nu compleet: het meisje was Annie Steenvoorden uit Noordwijk (1928-1989). Wolkers noemde haar overigens Anneliese. Ze was een dochter van Leo (Leonardus Johannes) Steenvoorden en de familie woonde aan de Herenweg 51 in Noordwijk Binnen, bij sommige Noordwijkers wel bekend als Huize Lini, want die naam prijkte op de gevel.

Wolkers refereert in ‘De Walgvogel’ aan een soortgelijk opschrift: ‘Huize Lien’. Maar ‘Lini’ was niet het alter-ego van Annie Steenvoorden. De naam ‘Lini’ was een afgeleide van de naam van haar zusje, die inderdaad ‘Lien’ heette, of vollediger: Helena Johanna (1921-2008).

lit2

In de biografie wordt één pagina lang verhaald van de prille liefde tussen Jan Wolkers en Anneliese Steenvoorden in dat oorlogsjaar 1943. Ze moeten elkaar in Leiden hebben ontmoet, waar Wolkers ondergedoken zat en waar Annie de katholieke MULO bezocht aan de Haarlemmerstraat. Niet dat er veel tussen hen gebeurde. Voordat de relatie kon beginnen, was die al weer afgelopen. Vader Steenvoorden vond het maar niks: zijn katholieke dochter met zo’n gereformeerde jongen uit Oegstgeest en toen Jan en Annie samen met nog een andere vriend en vriendin een nachtje overgebleven waren in het park bij Oud-Poelgeest – in diepe slaap verzonken – was het gelijk genoeg. Jan en Annie zagen elkaar nooit meer terug, zij het dat ze met name in ‘De Walgvogel’ nog wel zeer tot leven kwam.

Annie Steenvoorden stierf in 1989, Jan Wolkers in2007. Hij had al haar brieven en een fotootje bewaard. En er was een gedicht dat hij voor haar geschreven had op 21 juni 1943 (het heette dan ook ‘Zomer’):

De zon schijnt door het lover,

Oneindig is’t verschiet.

Ginds bloeit de lis en koekoeksbloem,

’t is Zomer, waar men ziet.

Op ’t land staan schoven, blinkend geel

Van koren, wondermooi.

En uit de polder zweven aan,

Geuren van rijpend hooi.

Wat is de Zomer prachtig, schoon

Van bloem en kleurenpracht

Van rijpend ooft en vlinderspel,

Tot eer van scheppers macht.

Van Huize Linie vind ik deze foto in het Leidse archief. Het tegeltableau lijkt met de storm tezijn weggewaaid. lit3