Olieverfportret van Albert Verwey door Jan Veth

Bij alle terechte belangstelling voor de 60e sterfdag van de Grote Noordwijkse dichteres (en socialiste) Henriette Roland Holst – Van der Schalk moet ik opeens constateren dat we de 75e sterfdag van die andere Grote Noordwijkse dichter (en literator en hoogleraar) Albert Verwey stiekem vergeten zijn. Die was op 8 maart 1937. Eveneens in het kader van de serie “Uitzending gemist”,  posthuum en te laat dan nog maar een eerbetoon in de vorm van zijn hilarische versch over de vermeende broederstrijd tussen de Noordwijkse vuurtoren en de Noordwijkse watertoren (zie eerder blog). Ik citeer:  

Ik schreef al eerder over de watertoren van Noordwijk van de architect F.A. Warners. Nog eerder schreef Albert Verwey over de het monstrum dat in 1917 vlak achter zijn huis – Villa Nova – op het hoge duin werd neergezet.
Had hij geslapen? Want hij stond sinds lang
Achter het zeedorp op de Hooge-Duin,
De uit roode steen gevoegde watertoren
Met muts van lood boven het venstrig hoofd,
En nooit nog, over kerk en huizen heen,
Zag hij daarginder, op die rand aan zee,
Dit Wonder.
De watertoren was gebouwd op een hoog duin dat ‘s zomers stierf van de bramen en ‘s winters het domein was van de prieksleeëde jeugd, waarvoor ‘Villa Nova’ een danige sta-in-de-weg was.
Mijn veelkantige toren
Paalt aan de duin die oudre dorpelingen
De Hooge heeten. Zomers is ze rijk
Aan bramen. Meenge winter was ze eertijds
De sleên van de jeugd. Na de eerste sneeuwval
Trok klein en groot de priekslêe naar haar top,
Zat neer, en gleed, zich met de hakken stierend,
In altijd snellere vaart, de helling langs,
En dwars de Zeeweg over, tot het hout.
In koude nachten zag men de eenen stroom
Die gleed, de andre die weer omhoog trok, laat nog
Joelde de al oudre en bandelooze jeugd.

Verwey heeft er maar last van, van al dat gejoel en gedoe van die jonge Noordwijkers en hij besluit tot al even drastische als uiteindelijk ook bloedige maatregelen (wintersport en jeugdjolijt waren aan deze achtenswaardige kamergeleerde niet besteed):
Spelbreker was ikzelf. Mijn huis bekleedde
De helling. Soms stoorde mijn slaap ‘t gebonk
Van sleden die te laat geremd of zorgloos
Gevierd, vóór ‘t afgegravene talud
Niet stopten, stortten, en mijn muren schudden
Van de ongenadige stoot: geroep en kreet
Verdoemde de eigenaar die de pret bedierf.
Daarna zette ik mijn grenzen uit: de grenzen
Van andren reikten naar de mijne en ‘t scherpe
Prikkeldraad weerde een toch bemind vermaak.

Verwey komt terug op zijn watertoren:
Mijn ramen zien naar het binnendorp en zee,
‘t Land in naar Leiden, en de duinrand langs,
Akkers en weiden oover, tot aan Haarlem’s
Sint-Baaf bij heldre dagen op de kim.
Het veld is groen, maar in het voorjaar bloeien
De vroege crocus, hyacinth en tulp,
Narcissen meenge maand, en in de zomer
De hooge zwaardbloem. Zeven jaar en meer
Staat aan mijn grens die toren, en ik ken hem
Van binnen en van buiten en ik weet
Al zijn gedachten. Als hij nachtelijks waakt
Weet hij de zegen die hij is. Zijn buizen
Strekken het land in, uur aan uur, de wellen
Van ‘t Langeveld bij Lis geven hem water,
Omhooggemalen stijgt het in zijn romp
En zinkt door aldoor fijnere kanalen
Naar alle huizen. Als die koele schat
In hem beweegt, eerst komt, dan gaat, gelijklijk
En komt èn gaat, kent hij zich de weldadige
Voorziener van een streek, de dankbaar geëerde,
Tot wie men opziet en hem toch niet vreest.
Als hij zijn avondschaduw op mijn grond wierp
Zat ik daar vaak en dacht dat nooit een andre
Geworpen werd, zoo vol geluk en vrede.

“Maar nu die tweede toren” begint dan de volgende zin dreigend en dan heeft Verwey het opeens over de vuurtoren, die zich in concurrentie moet meten met dat waterding in zijn achtertuin. Verwey kan niet kiezen, want ook de vuurtoren heeft wel iets voor hem. De watertoren moest volgens hem ook wel een minderwaardigheidscomplex hebben van dat gloeiende ding aan de andere einder van Noordwijk aan Zee:
Wat baatte hem de trots dat in zijn kamers
De koele weldaad van de donkere aarde
Verzaamd werd en verzonden, als daarginder
Een schepsel was als hij, dat straalde en blonk.
Tsja, wat doe je dan als dichter? Je meet je van de weeromstuit maar weer een paar vrijheden aan en laat de beide torens domweg verliefd op elkaar worden. Dat scheelt jezelf ook weer een paar liter dilemma’s, nietwaar:
Toch kwam zijn vrede. Ik weet hoe op een keer –
De nacht was wolkig, maar het seinlicht vlamde
Gedurig, en ik hoorde een klank als gulpen
Binnen mijn toren – woorden die mij verrasten,
Alsof een paar zich achter dat gebouw
Had neergezet en de een tot de ander sprak:
“Mijn lief, ik heb u lief, ik heb uw schoonheid
Zóó lief dat ik vergaan wou in haar licht,
Zij zal altijd mijn baak zijn, mijn verlang
Zal altoos op de wiek zijn, u omzwermen,
Niet van u laten.”

En dan kan de dichter uiteindelijk genoegzaam achterover leunen en – terwijl de Noordwijkse jeugd nog nabloedend in het door hem gespannen prikkeldraad hangt – zich laven aan zijn dichterlijke kunstgreep die maakt dat alles weer goed komt:
Er was in ‘t staan van die gedegen wanden
Een vrede die ik goed begreep. Ik hoorde
Luider het storten van het donkre water,
Terwijl het scheen of schooner  ‘t bloeiend schijnsel
Zijn stralen-waaier uitwierp over zee.
(Albert Verwey: De Toren in: De Legende van de Ruimte, Santpoort, 1926)