vianapels

Gualtherus Jacob Dozy werd in 1841 geboren als zoon van een Leids geneesheer. Hij stierf in 1922 in Zeist en alle jaren daartussenin waren even rijk als onstuimig als – soms ook – dramatisch. Hij studeerde aanvankelijk theologie aan de Universiteit van Leiden, maar ging na twee jaar over naar de letterenfaculteit. Daar aan de universiteit werd hij al dwarsgezeten door zijn veelzijdige belangstelling voor de geschiedenis de letteren, de aardrijkskunde, de theologie. Hij werd ook dwarsgezeten door de vele bijbaantjes waartegen hij blijkbaar geen nee kon zeggen. Dozy was een absolute veelvraat, maar ook de man die – terwijl hij zich door alle bergen werk heen vrat – wel eens wilde verdwalen en dan ook echt een tijdje volledig zoek was.

Zijn studie in Leiden maakte hij niet af. Hij duikt al in 1862 op in Noordwijk, aan de Voorstraat tegenover het Hof van Holland, waar hij als leraar klassieke talen een aanstelling krijgt op het Instituut Schreuders, een kostschool voor rijke jongelingen, met als wellicht bekendste leerling de Haarlemse jongeling Pim Mulier, grondlegger van zowat alle sporten in Nederland. Hij houdt het niet lang in Noordwijk uit en gaat op odyssee door het land. Meestal als leraar in het voortgezet onderwijs (de Hogere Burgerscholen), in Zaltbommel, in Deventer, Groningen, Arnhem en Leiden – dan weer terug in Noordwijk – om tenslotte terecht te komen aan de HBS in Den Haag, waar hij niet weet om te gaan met de gefrustreerde rector en de iets te mondige Haagse schooljeugd. In tussentijd was hij toch nog afgestudeerd en gepromoveerd in Gorningen! Hij gaat met pensioen in 1906 en leeft dan nog met een niet al te vet pensioen door in Zeist, waar hij tenslotte ook stierf.

Dozy was – zoals gezegd – ook in zijn vele bijbaantjes een veelvraat, een man die zich het schompes schreef in boeken en tijdschriften (als hij even geen tijdschrift had om in te schrijven, richtte hij er eenvoudigweg weer een op). Hij moest het tenslotte bekopen met ‘ schrijfkramp’ rsi avant la lettre, en moest voor zijn werk een secretaris inhuren die hem veel geld kostte. Hij maakte deel uit van tal van verenigingsbesturen, was (bestuurs) lid van verschillende vrijmetselaarsloges en bestuurslid van de Haagse Stoomwasscherij (waarin het geld dat hij niet aan zijn secretaris kwijt was bijna geheel wegspoelde met het afvalwater van de bonte was).

Bij alle baantjes die hij had waren de traktementen niet hoog, zeker niet voor een man die inmiddels 8 kinderen had gekregen, alsmede de zorg van nog 2 Indische kinderen van een van zijn broers, In 1883 moet het water hem aan de lippen hebben gestaan want hij liet zich overhalen directeur te worden van hetzelfde Instituut Schreuders in Noordwijk, waar hij ooit zijn carrière begonnen was. Het werden jaren van tobben en strijd. De financiële situatie van het Instituut werd hem bij zijn aantreden veel te rooskleurig voorgeschilderd, maar bij alles wat Dozy was, was hij een naïef zakenman. Of eigenlijk helemaal geen zakenman. De aandeelhouders van ‘Schreuder’ onder aanvoering van de latere Tweede Kamervoorzitter de Graaf van Bylandt, naaiden hem met droge ogen en toen hij de werkelijke financiële situatie van het instituut voor ogen kreeg, was het al te laat. Hij had 30 jongelingen nodig om tenminste een beetje rond te draaien, maar uiteindelijk bleven er maar twaalf over. De hypotheek drukte zwaar op het besteedbare budget, advocaten daalden als aasgieren op de Voorstraat neer en in 1891 moest Dozy de pijp aan Maarten geven.

Het gebouw werd pas in de volgende eeuw verkocht voor de somma van 24.500 gulden, nota bene aan een middenstander die er een grutterszaak in vestigde. Nazaten van deze grutter, Medemblik, verkochten de boel later aan een andere, dit keer bloemsierkunstige middenstander en die zit er nog steeds. Naar verluidt – in een necrologie in het Jaarboek van de Nederlandsche Letterkunde – werd Dozy vanwege alle perikelen bevangen door hevige ijlkoortsen en moest hij vluchten naar Den Haag, waar hem ook al geen gelukkige tijd zou wachten met die schoffies aan de HBS aldaar.

Dozy zou nog een keer in Noordwijk terugkomen: in 1906, om zijn vrouw te begraven op de Algemene Begraafplaats in Noordwijk aan Zee. Hijzelf zou niet naast haar begraven worden, vreemd genoeg.

Ik kan geen foto vinden van Dozy, ondanks het feit dat hij in zijn vele geschriften postuum toch enige vermaardheid had weten op te bouwen. Maar ik vind een brief, die iemand op 25 juli 1885 aan hem schreef vanuit Weltevreden (Batavia / Nederlands-Indie). Een brief die – volgens het stempel – via Napels naar Noordwijk-binnen moest, in Nederland. Meer adres was blijkbaar niet nodig. De brief zal in Napels van de boot zijn opgepikt en met de trein naar Nederland gestuurd zijn. En tenslotte met de tram naar Noordwijk gebracht. Van wie de brief is weet ik niet, wat er in stond al helemaal niet. Maar Dozy werd blijkbaar ook in Batavia gekend.