De Boerenburgerweg is vernoemd naar de boerderij ‘Boerenburg’, de ‘burcht van boeren’. Blijkbaar voelden de boeren dat zo, dat zij zich in een burcht  moesten verschansen om de burgerlijkheid buiten de deur en van het erf te houden. De boerderij is al lang weg en het stukje weg waarlangs die stond heet ook al niet meer Boerenburgerweg. Het ervoor in de plaats gekomen wijkje Boerenburg mag slechts een schamele compensatie heten en is meer een burcht van burgers die zich tegen boeren verschansen dan andersom.

Maar het andere stukje, meer naar het dorp toe, heet nog wel zo. Het was in de jaren vijftig een woonstraat die aan beide zijden omzoomd was met – in mijn tijd – hoge populieren, die eens in de twee jaar door een hoge stellage op karrenwielen door gemeentearbeiders moesten worden gesnoeid (op de oudere foto hierbij zijn ze net aangeplant). De kinderen uit de buurt keken dan ademloos toe en als er niet gesnoeid werd, deden ze spelletjes: verstoppertje, tikkertje, diefje met verlos, of hoe het allemaal ook heette. En voor die spelletjes moest afgeteld worden en de kinderen op de Boerenburgerweg – waaronder ik – hadden daarvoor een aftelversje dat in een monotone dreun als volgt luidde:

Op de Boeren Burger Weg

Stond een rijtje bomen

Al die bomen waaiden weg

op de Boeren Burger WEG.

Een wel erg lokale versie van het in de rest van Nederland meer gangbare “ie-wie-waai-weg”. Maar dan was je ook weg. Je was nergens zó verschrikkelijk weg als op de Boerenburgerweg.