Jacob Israël de Haan (1881-1924) was schrijver, dichter, publicist, journalist, rechtsgeleerde en (anti-)zionist. Hij emigreerde in 1919 als Zionist naar Palestina, maar zou er als anti-Zionist sterven in 1924. Hij werd in de avond van 30 juni 1924 in de Jaffastraat in Jeruzalem vermoord door Avraham Tehomi in opdracht van de Joodse paramilitaire organisatie Hagana. Een Joodse burger die door een Joodse organisatie werd vermoord: het heeft in Israël nog vele debatten doen oplaaien, tot op de dag van vandaag.

Toen De Haan nog in Nederland woonde, probeerde hij aansluiting te vinden bij de Beweging van Albert Verwey. Die moest eigenlijk niets van zijn proza en poëzie hebben en hield hem af met zoveel woorden als dattie maar flink zijn best moest doen, dan zou het allemaal wel goedkomen.

Niettemin was De Haan wel enkele malen te gast bij de Verwey’s in Villa Nova. Na één van die bezoeken dichtte hij het volgende:

[……]

En toen ik later aan uw tafel zat

Tusschen uwe kinderen, naast uwe vrouw,

En als uw kind middagmaaltijd at,

Toen voelde ik, dat een onverbreekbare trouw,

Mijn hart aan uw hart bindt: een dankbaarheid.

Wij zaten voor uw woning op het duin,

Beneden bloeide Holland als een tuin,

Bloemenvelden, korenlanden, een schat

Van weelde en waarden.

In de schemeravond ging de thuisreis

Maar hoeveel was mijn droef leven nu schoner.