aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa

In de Hervormde Kerk in Noordwijk Binnen ligt een grafsteen met het volgende opschrift:

Men hier begrave vant

die 5 mael heeft gevare

naet Oostinysche lant

over meinsch zeebaren

Hinne Dierckz Schipper

sterf d 12 decenb 1644

Met Marijtge Jacobsd

sijn huisvrou sterf d

5 october 1642

Deze Hinne Dierckz, zo lees ik hieruit, was schipper op één der VOC-schepen, die maar liefst 5 x naar de Oost gevaren is. Een hele prestatie als je nagaat hoe lang men onderweg was (en hoe vaak men schipbreuk leed of aan vallende ziektes ten onder ging). Hinne wás dus wel iemand. Het feit dat hij in de kerk zelf begraven werd onderstreept dat nog eens een keer. Blijkens hetzelfde grafschrift overleefde hij zijn vrouw, Marijtge Jacobsd  (‘Marietje, dochter van Jacob’) met een dikke twee jaar.

Bijzonder van de VOC was onder meer het feit dat er een minutieuze administratie bestond van vrijwel alles wat er bij de VOC al zo doorheen ging. Ook de namen van vrijwel alle opvarenden, waaronder nog best een fikse hoeveelheid Noordwijkers. Die Noordwijkers zijn allemaal na te zoeken in het archief ( klik hier ). Maar gek genoeg – en jammer genoeg – staat Hinne Dierckz er niet tussen.

Nota Bene

  • Frans komt met een nuttige verbetering: “Hinne Dircksz was eigenlijk Minne Dircksz en was geboren in Harlingen. Hij was Noordwijker omdat hij in 1637 hier met zijn vrouw in het Gasthuis kwam wonen ze waren toen afkomstig uit Alkmaar. Van hen is het oudst bewaard gebleven contract met het gasthuis. Na het overlijden van zijn vrouw Marijtge Jacobsdr trouwde hij in 1643 nog met Maertge Gerritsdr. Overigens is de grafsteen volgens Herman Schelvis na een restauratie verdwenen.”
  • De verwijzing van Frans brengt me in een artikeltje van de hand van Dr. W.E. Smelt: “Namen van de personen, die in de jaren 1637-1805 een contract hebben gesloten met het gasthuis in Noordwijk betreffende hun opneming.” Daar vinden we, zoals Frans al min of meer voorspelde, Minne Dircksz. Weer aan. Maar het artikeltje is ook anderszins erg aardig om te lezen, dus neem ik het integraal over:

In het  oud-archief  van  het  Gasthuis  te  Noordwijk,  dat  zich  bij  het  archief   van   Noordwijk   bevindt   en   dat   ook   in   de   inventaris   van   laatstgenoemd  archief  is  opgenomen,  treft  men  onder  Inv.  no.  956  een  reeks  contracten  aan,  die  in  de  jaren  1637  tot  1805  tussen  schout  en  gasthuis-meesters   ener-  en  verscheidene  personen  anderzijds  zijn  gemaakt  inzake de   opname   van   laatstgenoemden   in   het   Gasthuis.   Uit   de   in   1633   voor   het Gasthuis  gemaakte  provisionele  ordonnantie  nopende  de  ,”minaedgieendehuijshoudinge”  blijkt,  dat  omstreeks die  tijd  orde  op  zaken  werd  gesteld   en   de   bewuste   reeks   contracten,   die   kort   daarna   een   aanvang   neemt, zal   zeker   met   de   reorganisatie,   die   toen   blijkbaar   heeft   plaatsgevonden, in  verband  staan.

Zoals  uit  deze  contracten,  evenals  uit  andere  stukken in  het  Gasthuisarchief  blijkt,  bevonden  zich  in  het  eigenlijk  gezegde Gasthuis   (in   de   rekeningen   wordt   wel   gesproken   van  ”het  groote  huijss”)en  in  de  aparte  huisjes, die  tot  het  Gasthuis  behoorden,  verschillende categorieën  verpleegden.  Er waren er, die om Godswil waren opgenomen en die een plaats kregen in de grote zaal. Deze worden in de stukken aangeduid als “de arme personen” en “de oude arme luijden”. Voor dezen was het, dat in de herbergen bussen waren opgehangen en voor wie de regenten in 1634 een overeenkomst sluiten met de vissers om geregeld wat vis en haring aan “de oude luijden” af te staan.

De mensen echter, die wij in de bovenvermelde contracten tegen komen, zijn niet armlastig, eerder veelal het tegendeel: zij kunnen voor het bedrag, dat zij bij hun opname storten, voorwaarden stellen, afhankelijk van de grootte van dit bedrag. De contracten zijn dan ook onderling verschillend. Voor enkele gegadigden wordt zelfs een nieuw huisje gebouwd of worden in een bestaand huisje de gewenste veranderingen aangebracht.

(….)

Ook is in sommige contracten de bepaling opgenomen, dat, indien mocht blijken, dat de contractant zijn leeftijd te laag heeft opgegeven, hij 100 gulden zal moeten betalen. Het  individuele  karakter  der  contracten  verleent  een  zekere  bekoring  aan  de  lectuur  dezer  stukken,  daar  men  over  de  betrokken  personen  allerlei  te  weten  komt,  ook  al  zijn  het  nu  juist  niet  altijd  zaken  van grote  importantie:  Zo  wordt  in  het  contract  uit  1705  van  Teunis  Arisz Verlaan,  oud  75  jaar,  bedongen,  dat  hij  zich  voor  “onbequaam drincken” zal  moeten  wachten  en  dat  hij,  als  hij  zich  ooit  daaraan  te  buiten  gaat iedere  keer  ten  behoeve  van  het  Gasthuis  een  halve  Rijksdaalder  zal  verbeuren.  Indien  hij  zich  daartegen  verzet,  zal  hij  niet  aan  de  Gasthuistafelworden   toegelaten.

(….)

Tot  beter  begrip  van  de  sociale  omstandigheden,  waarin  de  contractanten  verkeerden,  moge  de  inhoud  van  het  contract  uit  1637  “noopende de  wooninge,  onderhoudinge  van  eeten, drincken,  bewassen,  ende bewringen   mitsgaders   vierende  licht”  van  Minne  Dircksz  en  zijn  vrouw Maritgen  Jacobsdr.  uit  Alkmaar  (blijkbaar  opgesteld  aan  de  hand  van een  door  Minne  Dirckz  aan   de regenten   ingediend   “redelijk  versoeck”)  hierin  verkorte  vorm  volgen:

In  de  eerste  plaats  zullen  zij  hun  leven  lang  in  het  nieuw  gebouwde huisje  naast  het  kerkhof  wonen:  hun  spijs  en  drank  zullen  zij  òf  zelf  uit het  Gasthuis  halen  òf  deze  zal  hun  door  de  dienstbode  van  het  huis  worden   gebracht,   t.w.   roggebrood   zoveel   zij   willen,   6   stuivers   aan   tarwebrooden,  2  stuivers  aan  wittebrood  en  fijn  beschuit  in  de  week,  alle  tien  weken een  half  achtendeel  Hollandse  boter,  zoveel  zoetemelkse  en  “koije”  kaas als   zij   willen,   alle   maanden   eenmaal   riviervis,   minstens   eenmaal   in   de week   verse   zeevis,   viermaal   in   de   week   ‘s   avonds   zoetemelk   met   fijn beschuit  of  wittebrood  gekookt,  de  andere  drie  dagen  ‘s  avonds  karnemelk met  tarwebrood  “gezooden”; indien  er  gort  wordt  gegeten,  moet  deze  met boter  in  een  pan  worden  gewarmd  of  met  boter,  niet  met  ,,smeer”  worden overgoten:   bij   de   dagelijkse   maaltijden   krijgen   zij   zoveel   vlees,   spek   of   vis als  zij  wensen.  De  keukenmeid  zal  verder  voor  hen  moeten  koken  of stoven,  wat  zij  zelf  kopen.  Bier  moeten  zij  gedeeltelijk  zelf  betalen,  daar  zij gewoon   zijn,   zwaarder   bier   te   drinken   dan   het   huis   verschaft.   Verder   vrijbrand  en  van  Allerheiligen  tot  Mei  elke  maand  1  pond  kaarsen,  verder zoveel  olie  als  zij  nodig  hebben.  Bij  ziekte,  ouderdom  of  overlijden  van de  vrouw  zal  de  dienstbode  de  bedden  opmaken  en  bij  overlijden  van  één van  hen  zal  de  overlevende  alleen  in  het  huis  mogen  blijven  wonen  en de  helft  ontvangen  van  wat  zij  samen  kregen.  Minne   Dircksz   betaalt 1000  guldens  en  belooft,  dat  na  de  dood  van  hem  en  zijn  vrouw  nog  eens200  guldens  zullen  worden  betaald.  Uit  het  contract,  dat  Minne   Dirckszin  in 1643  maakte,  toen  hij  na  de  dood  van  zijn  vrouw  hertrouwde  met Maritge   Gerritsdr,   blijkt,  dat  hij  toen  nog  eens  1200  gulden  betaalde. Blijkens  een  aantekening  inzake  de  uitkering  van  200  gulden door  de  testamentaire  voogden  van  Daniel Carlier,  erfgenaam  van  Minne Dircksz,  blijkt,  dat  deze  reeds  vóór  9  Februari  1645  is  gestorven.  De transactie  is  voor  het  Gasthuis  waarschijnlijk  niet  onvoordelig  geweest!