novad

Eens in de zoveel tijd moet ik de villa hier toch weer even opdiepen uit de vergankelijkheid van digitale databases. De Villa Nova – een huis met een gigagroot cultuurhistorisch verleden – werd in 1978 afgebroken en achteraf weet niemand meer waarom. Voor zo ver mij bekend was er ook helemaal niemand die er een poot naar uitstak of die bij zichzelf bedacht dat juist dit huis wel voor de eeuwigheid bewaard had mogen blijven.

Wie kwam er allemaal in dit huis van Albert en Kitty Verwey-Van Vloten? Een jonge Henriette van der Schalk, haar latere echtgenoot Richard Roland Holst (beiden ontmoetten elkaar bij Verwey), Herman Gorter, Jan Toorop, H.P. Berlage, Frederik van Eeden, Stefan George, Prinses Juliana, Annie Romein-Verschoor.  Wie kwam er niet?

In NRC-Handelsblad van 5 oktober 2011 schreef Onno Blom een mooie impressie van Verwey’s leven (en dood) in de Villa Nova:

Verwey woonde er de laatste 47 jaar van zijn leven. Samen met Kitty voedde hij er zijn zeven kinderen op. Twee jaar na zijn afscheidsrede aan de Leidse Universiteit in 1935 begaf zijn hart het. Op de ochtend van de achtste maart 1937 had Verwey aan de koffietafel nog een opgewekt gesprek gevoerd met zijn vrouw en dochter Liesbet. Plots werd hij getroffen door een hevige vlaag van pijn in zijn borst. Hij strekte zich uit op bed om even te gaan liggen. „Voor een ogenblik van rust, meende hij”, staat er in Maurits Uylderts biografie van Verwey. „Het was geen ogenblik, maar eeuwigheid.” Zo werd Verwey overvallen door ‘Een plotselinge dood’, zoals de titel luidt van een gedicht in zijn laatste bundel, In de koorts van het kortstondige: ‘De Dood zat in u en ge wist het niet / Hij scherpte ’t mes al en ge wist het niet.’ De dichter werd opgebaard in de kinderkamer van Villa Nova. Naast zijn schijnbaar slapend hoofd een bloesemtak. Drie dagen later werd hij het huis uitgedragen en langs de bosrand onder grote belangstelling naar de Algemene Begraafplaats van Noordwijk gebracht. Zijn graf lag nog geen achthonderd meter van zijn werkkamer. Om enkele minuten over één kwam de stoet aan bij de open groeve. Het was een sombere dag, de elfde maart. Het dooide onder een grijze, winderige hemel. Grote vlokken natte sneeuw dwarrelden op de kist. Martinus Nijhoff stelde zich in een gedicht voor hoe de geest van Verwey dit allemaal bekeek vanachter het venster van zijn werkkamer: ‘O, sneeuw, wees smetteloos, en gij, mijn naam, / wees op mijn graf zo smetteloos als sneeuw’.