arbeidsdienst

Willem Hendrik van der Meulen kreeg in de oorlog de opdracht zich te melden voor de Nederlandsche Arbeidsdienst (NAD) . De opdracht daartoe was ondertekend door de waarnemend burgemeester van dienst, in dit geval – zo te lezen – de heer G. Vogelaar (burgemeester Van der Mortel was net afgetreden  blijkbaar en de NSB-burgemeester Musegaas was nog niet benoemd). Of Willem van der Meulen aan de oproep gehoor heeft gegeven, weet ik niet. Er waren vele soort- of lotgenoten die liever de onderduik ingingen, een oprechte daad van verzet, want de straffen waren zwaar (lees bovenstaande ‘bijsluiter’ er maar op na). Vraag: wat was de Nederlandse Arbeidsdienst. Ik citeer gemakshalve de Wikipdia:

Maar wat was de De NAD was een eerst vrijwillige en later verplichte werkinzetdienst (‘Arbeitseinsatz’) voor mannen en vrouwen in Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Op 27 juni 1940 richtte Seyss-Inquart namens Nederland de Nederlandse Opbouwdienst op. Dit was een overgangsorganisatie ter ontmanteling van het Nederlandse leger in bezettings- en crisistijd. Zij moest verdere stijging van het werkloosheidspercentage ten gevolge van ontslagen binnen defensie voorkomen. Dit beleid was een voortzetting van het eerdere arbeidsverschaffingsbeleid. De Opbouwdienst was politiek neutraal. Het was verboden om tijdens de diensttijd lid te zijn van een politieke partij. In dezelfde periode speelden ook de belangen van de bezetter een rol. Deze wilde een arbeidsbemiddelingsbureau voor diensten in Duitsland opzetten. Als motief voor het oprichten van de NAD gebruikte de bezetter de noodzaak van het herstel van de oorlogsschade in Nederland. Het was een verhaal dat niet door de (illegale) Nederlandse pers werd geloofd. Als NAD vloeiden op 15 oktober 1940 beide initiatieven in elkaar. Het motto van de NAD was: “Ick Dien”.

Toetreden tot de Nederlandse Arbeidsdienst was in aanvang op vrijwillige basis. Een toegetredene werd arbeidsman genoemd. Het was een aantrekkelijke regeling ter voorkoming van werkloosheid voor de 55.000 Nederlandse militairen. Deze werden opgeleid tot kader. Verder stonden de vrijwilligers niet in de rij. Per circulaire waren de Nederlanders in december 1940 opgeroepen om zich bij één van de 1024 aanmeldbureaus van de NAD als vrijwilliger aan te melden. Weinigen maakten van deze oproep gebruik. Er reageerden meer vrouwen dan mannen. Op 1 januari 1942 werd voor iedere Nederlander die in dat jaar 18 jaren werd en op het einde van dat jaar nog geen 23 was, de ongewapende dienstplicht ingevoerd, zowel voor mannen als voor vrouwen. In 1943 werd wat de mannen betreft ook daadwerkelijk de hele lichting van dat jaar opgeroepen. Vrouwen werden in de buurt van hun woonplaats aan het werk gezet en gingen bijvoorbeeld aardappels schillen voor de kazerne. Voor mannen werden ver van hun woonplaats kampen gebouwd. Zij werkten bij het aanleggen van wegen en kanalen en in de landbouw. De dienstplicht duurde een half jaar. Ook leerden de mannen exerceren met een schop aan de schouder. De training in de Nederlandse Arbeidsdienst was erop gericht om de mannen op te leiden voor het graven van tankvallen en loopgraven aan het oostfront. Aan het einde van de dienstplicht werd de mannen een contract voorgehouden voor deze werkzaamheden. Bijna iedereen weigerde om te tekenen. Na enige rake klappen te hebben geïncasseerd kon de weigeraar huiswaarts gaan. De kampen werden aangestuurd vanuit Amersfoort.

In de propaganda van de NAD werd een soort mythologisch figuur opgevoerd die Koenraad heette. Deze stond model voor de NAD. Hij werd neergezet als een ‘echte’ Hollandsche jongen: rechtschapen, welopgevoed, dapper en bereid om te werken. Er verschenen aanplakbiljetten waarop Koenraad met een schop op de schouder figureerde. Zijn goede opvoeding sprak uit afbeeldingen, geplaatst in dagbladen; daarbij stond hij onder andere zijn plaats in de tram af aan een staande dame. Zijn rechtschapenheid sprak uit een reprimande, bedoeld voor een ondeugende jongen die een hond plaagde. Was op zich de presentatie van zo’n dergelijke Brave Hendrik voor de doorsnee Nederlander al ergerniswekkend: komend uit de koker van de bezetter was het voor hem/haar zelfs stuitend. De propaganda werkte dan ook averechts; Koenraad werd al snel Dollefie Sallefie genoemd en verdween al na korte tijd.

Een standaard NAD-kamp had vier woonbarakken rond een appelplaats. Deze woonbarakken hadden elk drie kamers voor zestien personen. Zo’n groep van zestien personen werd een ploeg genoemd. De achtenveertig inwoners van een woonbarak vormden een groep. En alle vier de woonbarakken bij elkaar werden de afdeling genoemd. De leiding bestond uit twaalf ploegcommandanten, vier groepscommandanten en een afdelingscommandant. Deze waren apart van de manschappen gehuisvest of ingekwartierd in een naburig dorp. Naast de woonbarakken was er meestal een keuken- annex kantinebarak, een fietsenbarak, een werkplaats en een stalbarak. Alle voorzieningen waren gebouwd van geïmporteerd larikshout of douglas. De kolenberging was van steen en met pannen gedekt.

General Arbeitsführer Bethmann van de Reichsarbeitsdienst was gedurende de hele oorlog hoofd van de NAD-kampen. De Nederlander majoor J.N. Breunese was in het begin waarnemend commandant. Hij had bekendheid als organisator van de Nijmeegse Vierdaagse en was een vertrouwd persoon. Op 1 augustus 1941 nam hij ontslag, hij verzette zich tegen de invoering van de Hitlergroet in de NAD-kampen. Zijn opvolger was luitenant-kolonel Lodewijk Alexander Cornelis de Bock. De kampen liepen op 5 september 1944 (Dolle dinsdag) leeg. Aan het einde van die dag waren nagenoeg alle arbeidsmannen verdwenen, van het kader was nog 25 procent aanwezig. Op 6 september werd De Bock door Bethmann afgezet en vervolgens werd het restant van de dienst bij allerlei werk voor de Wehrmacht ingeschakeld. De laatst actieve hoofd-arbeidsleider was de NSB’er W.A. Almekinders. Op 10 september 1944 werd de NAD opgeheven.