Van 1869 tot 1903 werd Noordwijk verlicht met petroleumgas, dat werd opgewekt in een heuse petroleumgasfabriek. Een soort lpg-installatie avant-la-lettre. De fabriek stond aan het begin van de Hogeweg, op de plek waar in later jaren dit huisje stond van Van Woersem. Het huisje zelf was ongetwijfeld onderdeel geweest van de fabriek en diende als een soort opzichterwoning. De fabriek werd bij concessie geëxploiteerd door ene Kleinpenning, maar werd in de laatste jaren van zijn bestaan overgenomen door de gemeente, die niet erg te spreken was over de kwaliteit van het geleverde product: niet alleen was er een voortdurend exploitatietekort, maar de fabriek leverde ook niet meer genoeg gas om alle lichten brandende te houden. En al in de jaren tachtig van de negentiende eeuw waren er ook nog eens milieuproblemen van een verontrustende omvang. Ik citeer uit de krant:

“Menigeen heeft ongetwijfeld de kleurenpracht bewonderd , welke nu en dan het water in de Woensdagsche Watering (de Spoelsloot) te bieden heeft. De heer Gijsb. Van Parijs (die aan de overkant van de Spoelsloot ‘Hoenderpark Diana’ dreef, een eieren- en kippenhandel) is van gevoelen – en wij gelooven dat hij gelijk heeft – dat deze kleuren ontstaan door lekkage in de petroleumgasfabriek van den heer Kleinpenning; de bodem in den omtrek schijnt, na ruim twintig jaar voeding, ruim verzadigd te zijn en ontlast zich nu in den Watering. Moge de tint van het water nu al eens aangenaam aandoen, ongetwijfeld wordt de smaak er niet beter op en de heer Van Parijs beweert dan ook dat het voor drinkwater van het vee niet meer geschikt is.”

Kortom, het was een zootje met de energievoorziening van Noordwijk, reden voor de gemeenteraad om in 1901 te gaan zeuren om een steenkolengasfabriek. Die zou er uiteindelijk komen, een stukje verder aan de Losplaatsweg. Vanaf dat moment kon de vervuiling toeslaan op een andere plek. Welke milieurampen zich daar vervolgens allemaal voltrokken hebben, weet ik niet, maar grond en lucht en water zullen sindsdien in kwaliteit niet gestegen zijn. De kippen van Gijs van Parijs waren toen al vijf doden gestorven (en hopelijk door niemand opgegeten).