Rond 1857 duikt in verschillende kranten (o.a. het Dagblad van Zuid Holland en ’s Gravenhage van 7 Februarij 1857) en ook in de stukken van de Tweede Kamer een “Memorie van toelichting” op, “ingediend bij de aanvraage om concessie voor een Zee-kanaal uit de Noordzee tusschen Noordwijk en Zandvoort naar Amsterdam en Rotterdam door C. Verloop en Zoon”. Uit summiere beschrijvingen elders maak ik op dat het hier ging om een kanaal dat tussen Zandvoort en Noordwijk het land zou binnendringen en zich ter hoogte van Leiden zou splitsen in de richtingen van Amsterdam (via Haarlem en het IJ) en Rotterdam (via Den Haag, Delft en Schiedam).
De aanvrage speelde blijkbaar in op het initiatief van de stad Amsterdam om een directere verbinding met de Noordzee te creëren (het Noordzeekanaal zou uiteindelijk in 1876 worden geopend). De Nieuwe Waterweg kwam een paar jaar eerder tot stand. Blijkbaar dacht de dekselse Verloop twee vliegen in één klap te slaan, maar dat lukte niet hoezeer hij ook met zijn plannen te koop liep (‘opnieuw onder de aandacht’ / ‘meermalen besproken’).
Jammer of niet: de wereld had er misschien wel heel anders uitgezien. Verloop projecteerde bovendien iets ten noorden van Noordwijk een heuse ‘winterhaven’ en als dat allemaal was doorgegaan was Noordwijk nu een soort van IJmuiden geweest in plaats van een soort Noordwijk.
Het plan van de firma Verloop maakte blijkbaar heel weinig kans. In de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren kom ik het volgende, misprijzende commentaar tegen op alle schone plannen: Een plan zoo vaag en onbestemd als de vage en onbestemde kaart bij dit werkje gevoegd, en die de bedoeling van het project en de provinciën Noord- en Zuid-Holland even duidelijk voorstelt als de schoolkaarten van Afrika de situatie der binnenlanden aldaar. – Het best zal zijn, voor als nog, misschien wel voor altijd, hieromtrent over te gaan tot ‘de orde van den dag’ (bron: R. van der Meulen, Bibliografie der technische kunsten en wetenschappen 1850-1875. C.L. Brinkman, Amsterdam 1876).

