Sole Mio was ooit een familiepension, gebouwd door de gewaardeerde H.J. Jesse in opdracht van de Weduwe Lau Dirkzen. Maar op enig moment werd Sole Mio een kliniek, ik meen voor reumalijders, als onderdeel van het Academisch Ziekenhuis in Leiden.
 
Ergens in de jaren vijftig moet ik er ooit een bezoek gebracht hebben. Aan Ome Willem die er voor enige tijd was opgenomen. Ome Willem – eigenlijk een oud-oom, want broer van mijn grootmoeder – was naast reumalijder ook invalide. Hij liep op krukken die hoog onder zijn oksels ophielden: hij ‘hing’ er bijna in. Hij had een invalidenwagen, die hij met op en neer bewegende armstangen in een redelijk tempo vooruit wist te krijgen. Volgens mijn grootvader was Ome Willem bij het stropen in de duinen betrapt door een overijverige koddebeier, die met een dubbelloops jachtgeweer op hem geschoten had. Sindsdien was Ome Willem niet meer goed ter been.
 
In mijn herinnering had hij altijd een hoed op, ook thuis in de woonkamer. En hij had altijd een sigaar in zijn mond. Hij was een meester in het villen van hazen en konijnen en hij deed dat zo beeldend en hardhandig dat hij in ieder geval bij mij de lust ontnam om nog ooit van mijn-lang-zal-ze-leven haas of konijn te eten. Hetzelfde geldt voor kip en ander gevogelte. Ik heb wel eens gedroomd dat hij niet eens de moeite nam om die diersoort eerst te doden, alvorens met plukken te beginnen. 

En Ome Willem vloekte. Hij kon geen twee zinnen achter elkaar uitspreken of er zaten drie vloeken tussen. Waarom dat was weet ik niet. Hij was geen boze man, hij waardeerde de zorg die hij kreeg en met zijn handicap had hij al wel leren leven. Het godverdegodver lag hem simpelweg vóór in de mond, vlak achter die sigaar, bestorven.
 
In Sole Mio zal hij zijn hoed wel af en zijn sigaar uit hebben moeten doen. Godverdegodver.