born.jpg

Ik heb eerder geschreven over de cultstatus die Janus Dousa in Noordwijk ontwikkelde temidden van een grote groep literair angehauchte jongelingen. Daar waren ook veel Duitse jongelingen bij. Blijkbaar waren naam en faam van Dousa bij Lobith al het land uitgedreven, want de groupies uit Teutonië meldden zich onverwijld in Noordwijk. In een studie van Ulrich Bormann uit 1972 (Anlehnung und Abgrenzung, Untersuchungen zur Rezeption der niederländischen Literatur in der deutschen Dichtungsreform des siebzehnten Jahrhunderts) komen Dousa – en in zijn voetspoor Noordwijk – er bepaald niet bekaaid van af.

Bormann constateert dat er vanouds her al de nodige Nederlands-Duitse verwantschap was op het terrein van de schone letteren, ingegeven niet alleen door taalovereenkomst en geografische nabijheid, maar ook door gedeelde geestelijke en culturele interesses. Hij schrijft:

Die Grundlage der Übereinstimmungen zeigt sich im Preis eines Mannes und eines Ortes, der 1740 in der nüchternen Sprache des Enzyklopädisten als ein ‘schönes Dorff … in der Niederländischen Provintz Süd-Holland andert-halbe Meilen von der See, und 2 Meilen von Leyden gelegen’1 beschrieben wird, der aber im poetischen Denken des 17. Jahrhunderts mit einer arkadischen Aura umgeben wurde. Es handelt sich um Noordwijk, die Wohnstätte von Janus Dousa, der das Idealbild seiner Zeit verkörperte: als Gelehrter, als lateinischer und muttersprachlicher Dichter, vor allem als Befreier Leidens und Gründer der Universität.

In de vroege Duitse gedichten die van deze kennismaking het directe product zijn wordt Janus Dousa (eigenlijk heette hij gewoon Jan van der Does) de hemel in geprezen, worden zijn gedichten bezongen en worden het Leidens Ontzet en de stichting van de Leidse Universiteit neergezet als keerpunten in een eeuwenlange ontwikkeling van de geestesgeschiedenis. En het houdt niet op. Latere (Duitse)  auteurs en dichters als  Lotichius en Hudemann veronderstellen zelfs dat Dousa aan de wieg gestaan heeft van de Duitse dichtkunst en in de  Duitslanden als “onsterfelijk” moet worden getypeerd (desondanks was Jan in 1604 gewoon doodgegaan). Een aantal auteurs gaat helemaal op de loop met de werkelijkheid, vervoerd als ze waren door hun blinde verering. Bornemann:

Die Fakten wurden schon frühzeitig verklärt: durch Dousas Wirken konnten die Musen erst ihren Einzug in Holland nehmen. Noordwijk wird nicht nur dem Mantua Vergils oder Catulls Verona gleichgestellt, sondern auch dem Geburtsort Apolls vorgezogen. Heinsius verlegt das wahre Delos von der Ägäis in die Nähe Leidens:

T’is Noortwijck nu genaemt, dat Nortwijck,

daer den helt En vorst van onse konst is Overste gestelt.

Dat Noortwijck daer de zee, dat Noortwijck daer de baeren

De sterren trotsen derf, en vreeselick opvaren

Door Aeoli gebiedt, dat Noortwijck daer het landt,

Als Delos hier te voor, staet midden in het sandt.

Noordwijk als het Mantua van Vergilius en het Verona van Catullus. Een “Delos Batavorum“, een geboorteplaats van goden. Je kunt ermee weglopen en erin zwijmelen en dat deden ze ook, die vele studenten uit de vele Duitslanden die er toen nog waren. Het duurde nog een hele tijd voordat Jan van der Does ook in Duitsland een beetje in de vergetelheid raakte en met hem Noordwijk. Toen Noordwijk later weer ‘in’ raakte in Duitsland had dat niks meer met de schone letteren te maken, maar eerder met het schone strand, de schone zee en de schone lucht. Ook schoon, maar anders.