Wybren Hogerhuis werkte van 1908 tot 1915 als werkman in het Sanatorium voor Natuurgeneeswijzen in Noordwijk.
Het is al voor de hand liggend om te denken dat dat sanatorium wel de kliniek ‘Sole Mio’ zal zijn geweest, maar die veronderstelling is onjuist. ‘Sole Mio’ werd weliswaar in 1908 gebouwd (door H.J. Jesse), maar als pension. Pas later werd het een sanatorium voor reumapatiënten.
Ik weet eigenlijk van geen ander sanatorium dan dat van ene dr. Oldenboom. Dat was ‘Huize Remotus’ aan het einde van wat in Noordwijk nog wel de Boerenburgerweg heette, maar in feite al Noordwijkerhout was (en daar ‘Westeinde’ heette). Het werd het latere ‘Parkhotel‘, tegenover Dijk en Burg, stond jarenlang leeg, maar wordt nu weer opgeknapt. Dat mag ook wel, want het gebouw is een schepping van niemand meer of minder dan de grote architect K.P. de Bazel, die ook de burcht van de Nederlandsche Handelsmaatschappij (later ABN-Bank) aan de Amsterdamse Vijzelstraat had gebouwd.
En zo ben je maar weer een end weg van je eigenlijke onderwerp.
Wybren Hogerhuis staat met zijn 2 broers Keimpe en Marten model voor één van de grootste justitiële dwalingen in de Nederlandse rechtsgeschiedenis en dat is wel de aandacht waard in tijden van ‘Schiedam’ en ‘Putten’. Het zit zo: op 5 december 1896 wordt er met gebruikmaking van fiks geweld ingebroken bij Boer Gatze Haitsma in het Friese Britsum. Bij de overval blijven Haitsma en zijn huishoudster Ymkje Jansma ongedeerd, maar de broer van Ymkje, Sieds, krijgt twee geweerkogels te verduren. Het gezag in Leeuwarden en omstreken weet met een feilloos misleidende precisie en weergaloze snelheid de drie gebroeders Hogerhuis uit Beetgum aan te wijzen als de daders. Wybren had een verhouding met Ymkje gehad en – nadat hij die relatie beëindigd had – was het voor justitie blijkbaar eenvoudig om haar met enige druk een mooie belastende verklaring te ontfutselen. Dat andere delen van de bewijsvoering nog voor geen meter konden worden gelinkt aan de gebroeders mocht hen niet baten. Ze werden veroordeeld en opgesloten in het cachot in Leeuwarden.
Pogingen van o.a. Pieter Jelles Troelstra (advocaat én volksvertegenwoordiger) om de broers in hoger beroep vrij te krijgen mochten niet baten, ondanks het feit dat inmiddels een aantal andere verdachten in beeld gekomen was. Pieter Jelles belandde nota bene zelf in de gevangenis omdat hij de rechtelijke macht beledigend tegemoet zou zijn getreden. De zaak werd nooit definitief opgelost. Bij het huwelijk van Koningin Wilhelmina kregen de gebroeders Hogerhuis 3 jaar strafvermindering. Keimpe kwam onmiddellijk vrij, Marten een jaar later (hij was bijkans krankzinnig geworden als gevolg van eenzame opsluiting) en Wybren uiteindelijk pas in 1905. Van enigerlei vorm van eerherstel was ook geen sprake.
De zaak had al met al veel aandacht getrokken ook op landelijk niveau en de broers waren graag gezien gasten op avonden, georganiseerd door alles wat toen nog links-arbeideristisch Nederland was. De zaak werd breed uitgemeten en werd ook wel gekenschetst als een strijd tussen socialisten en klassenjustitie, tussen de parlementaristen en de anti-parlementaristen. Sommigen spraken zelfs van een Nederlandse ‘Dreyfus-affaire’, maar dat was volgens Haagse Kringen alleen maar socialistische propaganda.
Keimpe en Marten kochten er niet veel voor. Zij emigreerden in 1912 naar de Verenigde Staten, waar Keimpe in 1929 stierf en waarvandaan Marten in 1932, arm en berooid repatrieerde. Wybren ging het iets beter af. Na zijn periode als werkman in het sanatorium in Noordwijk, trouwde hij, kreeg kinderen en zette zijn arbeidzaam leven voort als huismeester in een vegetarisch pension aan het Pomonaplein in Den Haag. Hij stierf in 1948. Pieter Verhoeff maakte in 1985 de film ‘De Dream’, gebaseerd op het verhaal van de gebroeders Hogerhuis. Peter Tuinman kreeg een Gouden Kalf voor zijn ontroerende vertolking van de rol van Wybren.
