aalberse

De katholieke politicus P.J.M. Aalberse (1871-1948) was kamerlid sinds 1903 en later de eerste minister van Sociale Zaken (1918-1925). Hij bracht een aantal belangrijke sociale wetten tot stand. Na 1925 was hij ook fractievoorzitter van de RK Staatspartij (1930-1936), kamervoorzitter en lid van de Raad van State. En zoals het een goed katholiek betaamd: hij was als politicus ook volop actief in de zuil als geheel op verschillende maatschappelijke terreinen. Niet onvermeld moge blijven dat hij – geboren Leidenaar – nooit ver van zijn wieg gebleven is. Hij kreeg zijn opleiding in Leiden en later bij de Jezuïeten in katwijk, waarna hij gewoon weer naar Leiden terugkeerde om daar rechten te gaan studeren. Hij was – en ook dat is een memorabele zaak – samen met de latere, al even katholieke minister-president jhr. Ch.J.M. Ruijs van Beerenbroek de oprichter van de Roomsch-Katholieke Studentenvereniging Sanctus Augustinus. Een pleisterplaats voor katholieke jongeren die zich in ieder geval tóen in het Lutherse Leiden al snel verdwaald wisten.

Aalberse hield gedurende vrijwel zijn hele leven nauwgezet een dagboek bij, dat inmiddels elektronisch terechtgekomen is op de onnavolgbaar rijke website van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis. Aan die site en aan die dagboeken ontleen ik een mooi fragment over de deelname van Aalberse aan de jaarlijkse Jeroen-bedevaart in het ook al niet ver van Leiden liggende Noordwijk. Hij was blijkbaar bij die bedevaart terechtgekomen via zijn heerbroer, die kapelaan was in Noordwijkerhout en die geacht werd een regiment Noordwijkerhoutse katholieken richting de Noordwijkse bedevaart te dirigeren. Het fragment is gedateerd op 11 augustus 1893, een dag na de bedevaart. Daarmee concludeer ik gemakshalve maar dat de bedevaart een week te vroeg gehouden werd (De feestdag van de heilige Jeroen valt op 17 augustus) óf dat Aalberse de weg was kwijtgeraakt en zich een week vergiste. Hoe dan ook. Het is een stichtelijk fragment van een vrome katholieke jongeling van toen 22 jaar:

Alweer uit geweest gisteren! nu naar Noordwijk, ter beevaart naar St. Jeroen. Dat kwam zoo: mijn heerbroer had met heel veel moeite een processie van Noordwijkerhout georganiseerd. Nu, zijn stoutste verwachtingen zullen wel overtroffen zijn: 293 personen namen aan de bedevaart deel. ’t Was werkelijk schoon! ’s Morgens waren wij, moe, Co, Jo en ik, eerst hier te communie geweest, toen met de tram naar Noordwijk gegaan; onderweg stapten ook pater Ermann en pater Notermans op, die zouden assisteeren. We kwamen juist tegelijk met de processie aan. Toen begon de hoogmis, waarin heerbroer, heel mooi, preekte, terwijl hijzelf ook de mis deed, na eerst anderhalf uur langs den stoffigen weg te hebben voorgebeden en ’s morgens al de pelgrims de communie te hebben uitgereikt! Hij is toch ook een werkezel! ’t Doet me daarom juist zoo’n genoegen voor hem, dat alles zoo goed is afgeloopen. ’s Middags was er lof en processie, waaronder pater Ermann en de kapelaan van Noordwijk preekten. In de pastorie waren we heel aardig door pastoor Honig ontvangen, ofschoon we hem volstrekt niet kenden.

Hoewel in latere tijden ernstige twijfels zijn gerezen aan de heiligheid van Jeroen én aan zijn verbondenheid met Noordwijk, waren er in 1893 geen twijfels en kon de ware gelovige zich in al zijn hoop en verlangens vol overgave tot Jeroen bekeren. Lees hoe de latere Grote Sociale Voorman van katholiek Nederland heimelijk van alles aan deze heilige toevertrouwde:

‘k Heb werkelijk een schat van schoone herinneringen aan dien dag medegenomen: ’t is toch wel indrukwekkend, zoo met velen vereenigd eens vurig te bidden. Vooral voor drie intensies heb ik den bedevaart meegemaakt en de novene gehouden: vooreerst voor mijn goede zus, vervolgens om zegen over mijn studie en tenslotte … kom laat ik dat er ook maar bij schrijven, tenslotte om door den voorspraak van Noordwijks martelaar te verkrijgen, dat, als God Lize voor mij als vrouw mocht bestemd hebben, dat wij dan spoedig met elkaar in meer nauwere aanraking mogen komen, zoo neen, dat de goede Alwetende God haar een man moge schenken, die ‘goed’ voor haar is en mij … berusting. Heilige Jeroen, bid voor ons, dat deze drie beden mogen verhoord worden!

Ontroerend mooi en hoe je het ook wendt of keert, een zweem van goddelijke voorzienigheid moge Jeroen alsnog worden toevertrouwd, want Aalberse wist Lize te veroveren en haar zelfs tot het eind van zijn leven aan zijn zijde te houden. Samen kwamen ze later nog wel in Noordwijk terug, niet ter bedevaart, maar – profaner – ter ontspanning in het Rembrandthotel en later nog in  een niet verder gelokaliseerd ‘lieflijk huisje’ aan zee.