rrrrr

Jan Albertus Rispens werd geboren in Noordwijk aan Zee op Sinterklaasavond 1889 (vooropgesteld dat Sinterklaas toen al bestond). Hij moet maar kort in Noordwijk gewoond hebben, want hij was de zoon van een dominee die met zijn hele hebben en houwen in de schismatische strubbelingen zat waarmee het toenmalige gereformeerde volksdeel in Noordwijk aan Zee heftig worstelde.

Misschien waren de strubbelingen Op Zee wel dáárom zo heftig,  omdat de kiem ervoor was gelegd dóór een Zeeër, Dominee Cors Noorduin.  Noorduin, geboren in 1780, gedoopt door ds. Abraham van Royen (die tenminste nog een straatnaam achter zich aan gekregen heeft) maakte dankbaar gebruik van de Afscheiding van 1834 die het protestantse volksdeel doormidden kliefde en wist met van heinde en ver betrokken geloofsgenoten rond 1843 de ‘Gemeenten onder ’t Kruis’ te stichten, een christelijk-gereformeerde geloofgemeenschap die zich op onderdelen weliswaar onderscheidde van andere gereformeerden en hervormden, maar niet dusdanig helder dat ik dat als katholiek allemaal wil doorgronden. Ik verwijs de geïnteresseerde lezer met genoegen naar de hele godsgansche geschiedenis over wat de Afscheiding allemaal in Noordwijk teweeg bracht, op even stichtelijke als overgedetailleerde wijze opgetekend door Joh. Westerbeke. Titel: “Vissers van Noordwijk, waarin opgenomen: Het Wijze Godsbestuur van Klaas Noorduin”, een onleesbaar boeiend geschrift.

Ik kom terug bij Rispens: in de tijd die volgde op de veronderstelde dwalingen van Noorduin c.s. werd ds. F. Rispens in 1889 beroepen in Noordwijk aan Zee. Dominee Rispens bestond het echter sterk te ijveren voor vereniging met de Nederland-Gereformeerde kerken, die uit de doleantie waren ontstaan en hij kreeg zowaar een deel van zijn gemeente in dit pleidooi achter zich. Overmoedig geworden door zoveel steun, maakte hij al plannen voor uitbreiding van het kerkgebouw, maar daarbij had hij buiten de waard, in dit geval de kerkenraad gerekend. De raad had grote problemen met Rispens, waarbij niet duidelijk was of het problemen van geloofsinhoud en goddelijke zingeving betrof, dan wel problemen van financiële aard (de uitbreiding van de kerk kostte hoe dan ook geld). Maar Rispens wachtte niet af, hij kreeg een beroep uit Hoorn en wist niet hoe snel hij zich uit de voeten moest maken (in 1891 kwam die ene gereformeerde kerk in Noordwijk aan Zee er tenslotte toch).

Aan Jan Albertus moet het allemaal voorbij zijn gegaan: hij was nog geen jaar oud, toen hij onder de arm van zijn vader en moeder uit het kijvende Noordwijk werd weggesleept naar Hoorn. Ik kan mij niet voorstellen dat hij nog ooit de goesting heeft gehad om naar zijn door godsdiensttwisten verscheurde geboortegrond terug te keren. Liever wijdde hij zich aan de schone letteren, hij werd dichter en prozaschrijver, studeerde Nederlands in Utrecht en was van 1916 tot 1952 leraar Nederlands in Deventer (Hoorn was blijkbaar ook al niet erg bevallen).

Hij behoorde volgens de beperkte literatuur die over hem verschenen is tot de protestants-christelijke dichters van Ons Tijdschrift, waarin hij in 1911 debuteerde. In 1922 verscheen zijn bundel Het verborgen leven en hij werkte verder mee aan het Maandblad voor Letterkunde. Hij bleef echter belangrijker om zijn essayistisch en literair-historisch werk dan om zijn poëzie. Hij schreef essays over Nietzsche en Kierkegaard, maar het meest bekend werd zijn Richtingen en figuren in de Nederlandsche letterkunde na 1880. Daarmee hield het ongeveer op. Hij stierf vreedzaam en in volle protestants-christelijke overgave in Deventer op 23 maart 1962. De kijvende stemmen aan de achterdeur van de pastorie in Noordwijk waren allang verstomd.