groen1

De vader van Eduard Cornelis Groeneveld was kruidenier in Noordwijk, maar dat is dan ook het enige wat over die oude Groeneveld bekend is. Zijn zoon deed het wat dat betreft beter en wist zijn naam “voor de eeuwigheid” vast te leggen. Eduard was geboren in Noordwijk in 1808. Hij studeerde in Leiden theologie. In 1843 trouwde hij met Catharina van Klinkenberg Dozy uit Leiden, een dame van rijke komaf. Er volgde een predikantencarrière in Bussum, maar ook in Noordwijk zelf, al is mij als katholiek niet bekend in welke kerkgemeente hij beroepen was (ik heb al die protestantse kerken zowel in Binnen als op Zee nooit uit elkaar kunnen houden). Veel sporen heeft hij in Noordwijk in ieder geval niet nagelaten. Dat komt misschien ook omdat hij zijn carrière als predikant vroegtijdig moest afbreken, gehinderd als hij werd door een spraakgebrek (hij stotterde), wat een donderpreek tot een komische act moet hebben gemaakt.

Op zijn vijfenveertigste hield hij de dagelijkse domineespraktijk voor gezien en trok hij naar Valkenburg waar hij (of Catherina) blijkbaar ‘een buiten’ bezat. In 1861 trok hij met diezelfde Catherina naar Leiden en ging daar naast de Schouwburg wonen aan de Oude Vest. Na het overlijden van zijn echtgenote in 1877 nam Groeneveld zijn intrek bij de weduwe van een Leidse professor die wat verderop aan de Oude Vest woonde. Een jaar later stierf hij op zeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van een maagkwaal.

Maar daarmee was het verhaal nog niet afgelopen. Op de site van de VVV Leiden wordt het verhaal met een prettig gevoel voor understatement aldus verder verteld: “Toen de dominee en zijn vrouw in de jaren ’70 van de vorige eeuw kort na elkaar overleden, bleken zij een opvallende wens in hun testament te hebben vastgelegd: hun huis aan de Oude Vest moest in de toekomst woning en het genot van tuin (…) verschaffen aan ten hoogste tien behoeftige weduwen.”

Toch waren niet alle arme weduwen welkom in de domineeswoning: het te stichten tehuis was in de eerste plaats bedoeld voor Nederduitsch-hervormde predikants-weduwen. En mochten die onverhoopt geen behoefte hebben aan het gulle gebaar van het echtpaar Groeneveld, dan konden de plaatsen ook worden ingenomen door ongetrouwde bejaarde dochters van predikanten. Ook Nederduitsch-hervormd, wel te verstaan. Weduwen met kinderen wilde Groeneveld overigens liever niet in zijn hofje.

De hervormde regenten die de laatste wens van Groeneveld moesten uitvoeren, lieten in de tuin acht sobere huisjes verrijzen. Via de gang van het voormalige woonhuis konden de bewoners bij hun optrekje in de tuin komen. Tot op de dag van vandaag is de Groeneveldstichting in gebruik als tehuis voor oudere predikantsweduwen. Een commissie van hervormde kerkfunctionarissen bepalen, krachtens de bepalingen van dominee Groeneveld, wie er in het hofje mag wonen.”

In het hele verhaal is Noordwijk niet meer aan de orde, Groeneveld moet er niet zo heel veel mee gehad hebben, of – en dat is ook denkbaar – het waren vooral geografische en financiële komaf van vrouw Catherina die maakten dat de naam ‘Groeneveld’ in Leiden heftiger voortleeft dan in Noordwijk. In Noordwijk is tenminste voor zo ver mij bekend geen hofje voor behoeftige gruttersweduwen, noch voor ongetrouwde bejaarde kruideniersdochters van Nederduitsch-hervormde komaf.