De brief ‘liep’  op 22 januari 1830 en was gericht aan ‘Den Heere Burgemeester van beide de Noordwijken.’ Hij was afkomstig van ‘de Regter ter Instructie’ uit Leiden. Tegenwoordig zou zo iemand ‘rechter-commissaris’ heten, een functionaris bij wie in strafzaken de leiding van het gerechtelijk vooronderzoek berust. Wat er aan de hand was, weten we niet.

De aangeschreven burgemeester was in ieder geval Johan Jacob Schäffer (1782-1841). Aanvankelijk heette hij schout te zijn, maar die functie werd na 1825 omgedoopt tot burgemeester. Schäffer was een manusje van alles, want naast burgemeester was hij ook nog eens gemeentesecretaris én notaris.

Tijdens zijn bewind werd er al druk gediscussieerd over de vraag of Noordwijk niet zou moeten samengaan met een aantal buurgemeenten, zoals daar waren Katwijk, Rijnsburg, Voorhout en Noordwijkerhout. Maar de Noordwijkse gemeenteraad was teugen en zou pas anderhalve eeuw later door de bocht gaan.

Bijzonder is ook dat tijdens zijn bewind besloten werd tot de aanleg van de Algemene Begraafplaats. Dat gebeurde na 32 (!!) jaar beraadslagen in 1828 en dat was in beginsel ruim op tijd, want Jan Jacob Schäffer werd daar pas in april 1841 heen gedragen door de broeders van het St. Jorisgilde.

Intussen is Schäffer vrijwel geheel vergeten in Noordwijk. In 1935 werd er nog wel een straat naar hem vernoemd (die liep van de Schoolstraat naar de Golfweg en vice versa), maar met de aanleg van de Parallelboulevard verdween dit straatje schromelijk in de vergetelheid.