Het was een brief van Haarlem naar Noordwijk en het had te doen met een ‘militaire expeditie’. Hij ging in 1795, zoveel is zeker en wel naar de ‘Municipaliteit.’ Voor zo ver ik weet was een municipaliteit een soortement van voorloper van het begrip ‘gemeente’. Als er toen één dignitaris was die ik in die tijd aan bestuurlijk Noordwijk kan toewijzen, was dat Maarten van Struyk, die van 1790 tot 1795 schout en secretaris was van de beide Noordwijken, Langeveld en Offem. In sommige bronnen wordt hij ‘baljuw’ genoemd, wat ongeveer hetzelfde was als schout en secretaris met dien verstande dat hij daarenboven ook nog een zekere rechtsprekende bevoegdheid had.

Maarten werd in 1795 uit zijn ambt ontzet. Misschien betrof de brief wel de aankondiging van dat ontslag, want dat jaar kende het begin van de Bataafse Republiek, een vazalstaat van de Franse republiek, en mogelijk wenste men onder dat nieuwe gezag geen gebruik meer te maken van Maartens bestuurlijke diensten.