In Noordwijk waren er vroeger verschillende zogenaamde ‘touwslagerijen’ of ‘lijnbanen’. Er was er één – vanzelfsprekend – aan de Lijnbaanweg. Maar er waren er op enig moment zelfs zo’n veertig (40!), die niet alleen touw leverde aan de eigen visserijvloot, maar ook aan de Oost- en Westindische Compagnie én aan de Engelse marinevloot. Er was er ook één aan de Douzastraat, waarschijnlijk de langstlevende van allemaal. Van Passchier. Maar wat is een touwslager, of liever was, want het ambacht bestaat niet meer. De Wikipedia:

Een touwslager, lijndraaier, baander of zeeldraaier is een ambachtsmens die garens, vroeger meestal van hennep, tot touw verwerkt. Sinds het einde van de 19e eeuw is het beroep vrijwel uitgestorven. De touwslager deed zijn werk in de open lucht, overdekt of in een tentachtig geheel, op een touwslagerij of lijnbaan: een soms wel 300 meter lange, smalle strook grond waarboven vele door een spinner aangeleverde garens, werden uitgeschoren (uitgelopen). Het touw kwam terecht in een “kuil”, een nog steeds bestaande lengtemaat voor touw. Aan een van de uiteindes van de lijnbaan werden de garens in groepjes aan de haken van een wiel of slagmechanisme (slinger) bevestigd, aan iedere haak een groepje garens. Daar stond ook een teer- en drooghuis.

Aan de andere zijde van de lijnbaan werden de garens allemaal aan de ene haak, de lammeroen, van de lopende bok vast gemaakt. Deze lopende bok was een karretje met twee wielen en een over de grond slepend uiteinde waarop gewichten konden worden gezet, om zodoende de kracht waarmee de garens in elkaar werden gedraaid te kunnen regelen. Zo kon de kracht waarmee de garens tot strengen worden gedraaid worden bepaald en daarmee de uiteindelijke trekkracht en de stijfheid van het touw. Ook bevond zich aan dit uiteinde van de lijnbaan de klos: een taps toelopend en voor iedere groepje garens ingekerfd stuk hout dat hier de garens uit elkaar moest houden.

De term touwslaan wordt verklaard doordat er tijdens het proces gebruik werd gemaakt van haken en als een haak in de rondte draait zegt men dat de haak in de rondte slaat. De ronddraaiende haken brengen dus slagen in de groepjes garens aan. Het wiel/de slinger werd vervolgens rondgedraaid zodat door het ronddraaien van de haken (torsie) uit ieder groepje garens een streng (ineen gedraaide garens) ontstond. Vervolgens werden deze strengen met behulp van een houten klos onder voortdurend blijven draaien aan het wiel ook weer in elkaar gedraaid tot een touw, het zogenaamde wantslag touwwerk. Deze klos zorgde in dit stadium ervoor dat de strengen tijdens het draaien maar op één plek om elkaar heen werden gedraaid (alleen achter de klos aan de kant van de losse bok) en dat de strengen heel regelmatig in elkaar werden gedraaid. Tevens kon door met de klos mee te lopen en deze tegen te houden of juist mee te duwen richting slagmechanisme de lengte van de slag van het touwwerk bepaald worden: de lengte waarover de strengen van een touw een volle slag om elkaar heen worden gedraaid. Hoe korter deze slag hoe stijver het touwwerk. Om verschillende touwdiktes te produceren werd het aantal garens per haak vermeerderd. Met enkele van zulke wantslag-touwen kon vervolgens het proces worden herhaald, zodat het mogelijk was om dikke flexibele scheepstrossen te maken, het zogenaamde kabelslag touwwerk.

Enfin, dit zijn dus beelden van de touwslagerij van Passchier aan de Douzastraat. De lindebomen rechts op de foto hieronder stonden precies een Rijnlandse roede (3,767 meter) uit elkaar en dienden als maatstaf voor het touw.