Mijn grootmoeder liep – toen ik nog klein was – een oudere dame na, die woonachtig was aan de Douzastraat nommer 49. Tante Trijn, heette ze en ik heb haar alleen maar gekend als een stokoud en gerimpeld dametje, een verdroogd appeltje. Waarom grootmoeders haar naliep, heb ik nooit geweten. Maar ik ben er 63 jaar na de dood van Tante Trijn en  56 jaar na de dood van opoe zelve achter.

Tante Trijn (1836-1957) heette van haar eigen ‘Paardekooper’. Ze trouwde al in 1898 met ene Martinus Witsenburg, die smid was,  en na diens dood met ene Willem Janson, die in 1944 stierf in Alphen aan de Rijn. Er waren twee bijzondere dingen aan Tante Trijn: a) ze pronkte met een prachtige Dinky Toy, waar ik nooit mee mocht spelen en b) na haar dood in 1957 ging vrijwel de gehele erfenis naar de Roomsch-Katholieke kerk, waarschijnlijk in een ultieme poging van Tante trijn om hoog in de hemelen te komen.

Ik schrijf ‘vrijwel’ de hele erfenis. Want het huis dat zij bewoonde kwam in handen van mijn grootouders. Of ze het gekregen hadden of niet, weet ik niet, maar ze hebben er na een stevige verbouwing nog een jaar of 5 in gewoond. Tussen de Dames Kloos aan de ene kant en de beurtschipper aan de andere kant.

Wat ze in ieder geval erfden was de antieke dekenkist van Tante Trijn, die later bij mijn grootouders in de gang stond. Waar de Dinky Toy gebleven is, die ik begeerde, is mij tot op de dag van vandaag een raadsel.

Tante Trijn werd ‘Trijn Troet’ genoemd. Waarom dat was, weet ik niet. Die bijnaam komt ook niet voor in het bijnamenboek dat van Noordwijkers verschenen is.

Maar intussen weet ik wel waarom mijn grootmoeder zo gedienstig Tante Trijn naliep: Tante Trijn blijkt na enig speuren een heuse tante van haar te zijn geweest: ze was een zus van opoes vader.