jan1.jpg

Laten we het over Jan Prins (1876 – 1948) hebben. Jan Prins is het pseudoniem van Christiaan Louis Schepp. Literair-historisch wordt hij gesitueerd in de kring rond het tijdschrift De Beweging van Albert Verwey. Het was echter in het tijdschrift De XXe eeuw dat Prins in 1903 als dichter debuteerde. Zijn eerste poëziebundel Tochten verscheen acht jaar later, in 1911. In 1896 werd Prins benoemd tot marine-officier tot hij in 1924 om gezondheidsredenen werd afgekeurd voor actieve dienst. Zijn zeereizen hadden hem toen al verschillende malen naar Nederlands-Indië gebracht. Zijn indrukken over dit land en zijn bevolking legde hij vast in een aantal verzen die nog tijdens zijn leven werden verzameld onder de titel Indische gedichten (1932).

So far, so good. In de vele poëzie die hij schreef bevindt zich ook het gedicht “In de Noordwijksche Tram, 11 maart 1937” en dat gedicht laat zich gemakkelijk uitleggen. Want op die datum van 11 maart 1937 vond in Noordwijk de begrafenis plaats van Albert Verwey, die 3 dagen eerder gestorven was. Hij zal Verwey ook persoonlijk goed gekend hebben en niet alleen omdat ze tot dezelfde literaire beweging zouden hebben behoord. Vol droefenis begaf Prins zich met de tram naar Noordwijk en die rit inspireerde hem tot dit gedicht:

In de Noordwijksche tram
11 Maart 1937

Toen ‘k deze reis het eerst deed, in het lange

wankele voertuig, met het ongeduld

der naderende ontmoeting, en vervuld

van morgenklaarte en aankomende zangen,

was ’t volop zomer, maar nu deze maal,

de laatste, ligt er sneeuw en valt er regen,

en staan de takken in hun naaktheid tegen

den lagen hemel. En het licht is vaal.

Wat is het alles anders. Huizen aan

den weg en winkels, en geen stoomtram-bellen,

maar wagens, die onhoorbaar langs ons snellen…

En wij zijn grijs, en Gij zijt heengegaan.

Niet meer het welkom straks, zoo goed bekend,

dat Uw gestalte ons jongeren bereidde,

niet meer Uw stem, maar daar, aan de achterzijde

van ’t oude huis, de plek waar alles endt.

Toch, in een enkel veld al, schemert even

het geel en paars, dat uit den bodem slaat.

Zoo breekt de schoonheid en zoo breekt het leven

opnieuw door wat als sneeuw zoo snel vergaat.

 

(met dank aan Wim)