Voor zo ver ik kan nagaan – ik heb het wel eens eerder geprobeerd, maar geen zekerheden verkregen – illustreerde Anna Cornelia Brouwer de uitgave “De Nederlandsche stad- en dorp-beschrijver [1793-1801]” van de hand van L.van Ollefen en R. Bakker. Tal van plaatsen in Nederland kwamen daarbij aan de orde: een ets van Anna en een puntig gedichtje eronder dat de plaats nader moest beschrijven. Ook Noordwijk ontkwam niet aan deze etserijen en rijmelarijen, zij het dat er een onderscheid werd gemaakt tussen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee.

Bij bovenstaande plaat van Noordwijk Binnen stond het volgende gedicht – himmelhoch jauchzend:

Noordwijk één der fraaiste Dorpen

Van geheel ons Neêrlands oord,

Brengt ons Bloemen, Fruit en Kruiden,

En ook milde Graanen voort.

Geheel aan ’t Stadts Gewoel ontheeven

Kan hier den Mensch gelukkig leeven.

Maar er is ook een ets van het kerkje in Noordwijk aan Zee dat met een heel ander gedicht – zum Tode betrübt – wordt vereerd:

Dit dorpje moest aanhoudend lijden

Door ‘t Krijgsgeweld in d’Oorlogstijden

Dit deed dikwerf haar hoofdbestaan

De Visscherij, te gronde gaan.

Wat dus de Vlijt hier moog’ beginnen

Er is thans kwalijk ‘t Brood te winnen

Daar ga je dan met het verhaal dat Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee van tweejen één was. Dat was dus blijkbaar niet zo. Het zal Anna verder een zorg zijn geweest. Zij was alleen maar verantwoordelijk voor de etsen, niet voor de gedichten.

Verder weten we niet zo veel van Anna, behalve dan datgene wat ik eerder over haar gevonden en geschreven heb: Onder andere dat ze in Amsterdam geboren werd op 19 juni 1772. En dat ze graveerster en tekenares was en waarschijnlijk de dochter van Cornelis Brouwer, ook graveur van professie. Of ze getrouwd was weten we niet. Wanneer ze is gestorven weten we ook niet. We weten niet eens óf ze überhaupt gestorven is.

Enfin. Ik kom op internet een foto tegen van een bord met daarop het eerst geciteerde gedichtje. Dat schijnt te hangen ergens aan de muur van de Oude kerk in Noordwijk Binnen. Ik hoop dat het intussen een beetje is opgeknapt, want een bord in zo’n erbarmelijke staat hoort natuurlijk niet thuis ‘in één der fraaiste dorpen.’

Of het tweede gedichtje een plaats gekregen heeft, bijvoorbeeld aan de muur van de kapel in de Hoofdstraat weet ik niet. Ik denk van niet, want met zoveel treurnis loop je natuurlijk niet te koop.