lot1lot2

Waar in vroeger tijden bij de legeropbouw altijd gebruik werd gemaakt van zgn. huurlingen (de naam duidt precies aan wat het was: men ‘huurde’ soldaten tegen betaling), werd  in Nederland in 1810 de zgn. ‘conscriptie’ ingevoerd, zeg maar: militaire dienstplicht avant-la-lettre (die pas in 1996 zou worden ‘opgeschort’,  zoals het officieel heet).

Omdat men niet iedereen nodig had in vredestijd (men kon volstaan met kleinere legers op zo’n  moment), was er nog een aanvullend systeem: de loting. Daarmee werd bepaald wie wel of niet zijn dienstplicht hoefde te vervullen.

Wie ingeloot was, en niet kleiner was dan 1,65 meter, student in de godgeleerdheid, of ‘lam, blind of volstrekt zinneloos’, restte twee mogelijkheden om de militaire dienst te ontlopen: de nummerverwisseling of plaatsvervanging. Bij nummerverwisseling ruilde degene die ingeloot was tegen betaling zijn nummer met iemand die was uitgeloot. Bij plaatsvervanging werd door iemand die een dienstplichtig nummer had getrokken een ander aangesteld, eveneens tegen betaling. Het zogenaamde remplaçantenstelsel bood zo de zonen van de gegoede burgerij de mogelijkheid de dienstplicht te ontlopen. Het dienstvervangingsstelsel heeft bestaan vanaf de invoering van de dienstplicht tot 1898. Gedurende deze periode maakte jaarlijks ongeveer 20% van de lotelingen gebruik van plaatsvervanging of nummerverwisseling. De vergoedingen die hiervoor gegeven moesten worden waren hoog: tussen de 600 en de 800 gulden. Een nummerverwisselaar moest iemand zijn die aan dezelfde loting had meegedaan als de loteling, voor een plaatsvervanger of remplaçant gold deze bepaling niet. Een belangrijk ander voordeel van een plaatsvervanger was, dat dan tevens de broer van de loteling was vrijgesteld van dienst. Plaatsvervangers waren dan ook duurder dan nummerverwisselaars.

Na een jarenlange politieke strijd werd in 1898 de persoonlijke dienstplicht ingevoerd, nummerverwisseling en dienstvervanging waren voortaan niet meer mogelijk. Hierdoor nam het belang van de loting toe, wie ingeloot was had immers veel minder wettelijke mogelijkheden om onder de dienst uit te komen. Jaarlijks dienden alle jongemannen die op 1 januari achttien jaar oud waren, zich in te schrijven in het militieregister van hun woonplaats. In de militiewet van 1817 was de sterkte van de nationale militie gesteld op één procent van de bevolking. In de wet van 1861 werd het aantal dienstplichtigen gesteld op 11.000, waarvan 600 man bestemd waren voor de zeemacht.[6] In de jaren twintig van deze eeuw bedroeg het aantal dienstplichtigen gemiddeld circa 23.000, in het voorjaar van 1940 waren het er40.000 (tekst:  F. Staarman: “De lotingsinstrumenten voor de Nederlandse .dienstplicht”)

Jac. Van der Meulen dreigde ook ‘de pineut’ te worden blijkens bijgaande documenten. . Het ging om ene Jacob van der Meulen (1900 – 1979). Hij kreeg in augustus 1919 de mededeling dattie aan de loting diende mee te doen. Maar in december van hetzelfde jaar kreeg hij de mededeling dat hi jwas ingeloot voor de Landstorm.  Dat duidt erop dat hij was uitgeloot voor het leger, maar in dat geval moest je nog altijd deelnemen aan de Vrijwillige Landstorm, zeg maar een leger van bewapende en geoefende burgers ter ondersteuning van het echte leger in gevallen dat daaraan behoefte bestond. De kennisgeving diende men “zorgvuldig te bewaren tot de dienstplicht bij den Landstorm voor den houder een einde neemt.”