tijd2

In het Leidsch Jaarboekje 1911 komt het volgende prangende bericht naar voren: “Tenslotte zij nog vermeld dat. Door een onzer leden (J. Kloos Red.) daarop gewezen,  het gemeentebestuur van Noordwijk-Binnen zich bereid verklaarde om het opschrift onder de wijzerplaat van den toren, luidende “Daar is uur, noch tijd”, hetwelk door den tand des tijds bijna geheel uitgewischt was, wederom in beetren staat te doen herstellen.”

De tekst “Daar is uur noch tijd” komen we ook tegen in een uitgebreidere, veel mooiere en bijna filosofische tekst: “Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.”  Dat was allemaal veel te veel om op een bordje hoog op de toren neer te kalken, als mensen het vanaf de grond allemaal al hadden kunnen lezen. Die uitgebreidere tekst staat in de roman  “De Kleine Johannes” van Frederik van Eeden.

tijd3

“De Kleine Johannes is een allegorisch sprookje over de groei van een kind (Frederik himself) naar volwassenheid, een kind dat de fantasiewereld, waarin hij leeft, tenslotte inruilt voor het echte leven van de volwassene. Hij komt via ene Pluizer ook in aanraking met De Dood en dan ontspint zich de volgende dialoog:

‘Wanneer?’ – vroeg Pluizer aan den Dood.

– ‘Dat is mijn zaak.’ – zeide deze.

– ‘Ik wilde Johannes ditzelfde gezelschap nog eens laten zien,’ – zeide Pluizer en knipoogde grijnzend. ‘Kan dat?’ –

– ‘Van-avond?’ – vroeg de Dood.

– ‘Waarom niet?’ zeide Pluizer. ‘Daar is uur noch tijd. Wat nu is, is altijd geweest, en wat worden zal, is er reeds.’ –

– ‘Ik kan niet mede,’ zeide de Dood, ‘ik heb te veel werk. Doch noem den naam van dat wat wij beiden kennen, en gij zult ook zonder mij den weg vinden.’ –

Zij gingen toen een eindweegs door de eenzame straten, waar de gasvlammen flakkerden in den nachtwind en het donkere, koude water tegen de grachtwallen kabbelde. De weeke muziek klonk flauwer en flauwer en verdoofde eindelijk in de groote rust, die over de stad lag.

Daar klonk op eens van omhoog, met vollen galmenden metaalklank, een luid en feestelijk lied. –

Plotseling viel het neer van den hoogen toren, op de slapende stad – in de droeve, duistere ziel van den kleinen Johannes. Verwonderd zag hij op. De klokkenzang hield aan, met helderen, kalmen klank, die zich jubelend verhief en forsch de doodsche stilte scheurde. Vreemd schenen hem die blijde tonen, die feestzang te midden van stillen slaap en donkeren rouw.

– ‘Dat is de klok,’ zei Pluizer, ‘die is altijd even vroolijk, jaar in, jaar uit. Elk uur zingt zij ditzelfde lied met gelijke kracht en opgewektheid. En des nachts klinkt het blijder dan des daags, – alsof de klok juichte, dat zij niet behoeft te slapen, dat zij altijddoor even gelukkig kan zingen, waar duizenden onder haar weenen en lijden. Doch het vroolijkst klinkt het, wanneer er iemand gestorven is.’ –

Nogmaals verhief zich de jubelende galm.

In een studie van “De Kleine Johannes” uit 1902 komt de onderwijzer en onderwijsvernieuwer Jan Ligthart tot de volgende tekst en uitleg van deze passage:

Daar is uur noch tijd. Niets is aan een bepaald uur of een vasten tijd gebonden. Al wat we zien geschieden en beschouwen als persoonlijke gebeurtenissen, ’t is niet anders dan de herhaling van ’t geen reeds millioenen malen is voorgevallen. De spelers veranderen, maar ’t spel blijft altijd hetzelfde. ’t Is geboren worden, opgroeien, minnen, huwen, kinderen verwekken, sterven. ’t Is streven naar geld, eer, genot, kennis, om ’t alles weer te verliezen, wanneer ’t eenmaal is verworven. ’t Is hopen, verwachten, verlangen, zoeken – zonder vinden. ’t Is haten en liefhebben, bestrijden en verdedigen, veroveren en opofferen. Zoo is het eeuwen geweest en zal ’t nog eeuwen blijven. Elk nieuw sterveling achte zich middelpunt van ’t heelal, beschouwe alles van zijn gezichtspunt, beoordeele alles naar zijn belang, en meene den loop der samenleving – zoo niet der wereld! – van zijn denken, willen en werken afhankelijk, hij is niet anders dan allen vóór hem waren: een vluchtig verschijnsel.

Daar is uur noch tijd. Wat worden zal, is er reeds. Waarom zouden Pluizer en Johannes dan niet dit schoone, schitterende gezelschap kunnen zien in den toestand, waarin het eenmaal komen moest? Zij allen, die bloeiend levenden, dragen den dood in zich. Al verbergt deze zich achter lichtende oogen en blozende wangen, hij is de eenige blijvende bij al ’t verdwijnende en wacht rustig zijn tijd af. Waarom kan die tijd niet even worden opgeroepen?

Hoe of dat nu die ene tekst “Daar is uur, noch tijd” ooit op die Noordwijkse kerktoren terechtkwam is mij niet bekend. Maar het is onwaarschijnlijk dat die tekst als het ware ‘gejat’ was van Frederik van Eeden. Ook andersom: Van Eeden jatte de tekst van de Noordwijkse kerktoren ligt niet voor de hand. Van Eeden was wel regelmatig in Noordwijk, maar voor zo ver bekend pas nadat zijn zwager, Albert Verwey, daar was gaan wonen en dat was pas in 1890, zes jaar nadat Van Eeden “De Kleine Johannes” schreef.  Er zijn aanwijzingen dat de tekst de toren van Noordwijk al sierde in 1881 (en niet 1883 zoals de Leidse Courant later abusievelijk vermeldde). Toen schreef gemeentesecretaris Egbert de Groot er al over in een ingezonden stuk in het Rotterdamsch Nieuwsblad:

spoor

En in december 1906 schrijft J. Kloos in het Bulletin van de Nederlandschen Oudheidkundigen Bond  een uitgebreid artikel over de toren van de Oude Jeroen. Daarin citeert hij opnieuw de ‘zinrijke’ tekst op het (rode) bord onder de wijzerplaat, zonder de herkomst daarvan te duiden.

tijd5

De tekst is waarschijnlijk van alle dagen en Van Eeden kan ‘m ook van elders hebben opgepikt. Laat onverlet de vraag waar de tekst op de toren vandaan kwam, waarom ‘uur, noch tijd’ zich van zo hoog over Noordwijk moesten laten gelden.

Maar wat mij betreft mag het bord weer onmiddellijk terug op de toren. Een mooie uitdaging voor de Noordwijkse Torenklimcommissie?