rijwielplaatje

Van ‘rijwielbelasting’ hebben wij in onze dagen nooit gehoord. Maar in 1924 was er van alles mee aan de hand, tot zelfs lokale koddebeiers aan toe, die argeloze fietsers stonden op te wachten op de hoek van de Prins Henrdrikweg/Nieuwe Zeeweg/Duinweg en hen een vette bekeuring aansmeerden voor iets, waar niemand iets van begreep. De tijden zijn onveranderd.

Voor een antwoord op de vraag wat ‘rijwielbelasting’ dan wel vermocht te zijn gaan we te rade bij de Wikipedia:

Minister van Financiën Colijn voerde in 1924 de rijwielbelasting opnieuw in. Hij zei “een dergelijkestap te betreuren, maar zij was noodzakelijk op grond van den treurigen staat van de schatkist”. Op dat moment waren er in Nederland ruim 1,7 miljoen belastbare fietsen. De belasting gold voor het rijwiel en niet voor de houder. Om te bewijzen dat er voor de fiets was betaald moest een rijwielplaatje op of bij het stuur worden aangebracht. Deze plaatjes werden bij ’s Rijks Munt geslagen en waren voor drie gulden bij het postkantoor te koop. Het geld ging eerst voor een deel en later in zijn geheel naar het Wegenfonds. Vanwege het grote aantal diefstallen van rijwielplaatjes mocht men deze vanaf 1933 ook zichtbaar op de linkerborst dragen, zodat ze niet op de onbeheerde fiets achterbleven wanneer deze geparkeerd stond. Het tarief werd in 1927, toen de inkomsten van deze vorm van belasting boven een miljoen kwamen, verlaagd naar fl. 2,50. Werklozen konden in de crisistijd een gratis rijwielplaatje krijgen, waarbij in deze plaatjes een rond gaatje was geponst ter controle, omdat het niet was toegestaan om met een gratis verstrekt plaatje op zondag te fietsen. In 1940 waren er 3,6 miljoen fietsen in Nederland, die samen zo’n negen miljoen gulden per jaar opbrachten. Dit had ook te maken met de Tweede Wereldoorlog. Particulier autogebruik was verboden. De bezetter maakte op 1 mei 1941 een einde aan de rijwielbelasting en het belastingplaatje.

image