Ziekzoeken was een vak apart en er waren er maar weinigen die dat vak goed beheersten. Mijn grootvader was er zo één. Hij was als 13/14 jarige (of misschien nog wel eerder) in de bloembollenteelt verzeild geraakt en had in al die jaren naar zijn pensioen op zijn 70e een schat aan ervaring opgedaan. Hij had ook het geduld en de scherpte om één verdacht vlekje op één blaadje onmiddellijk te detecteren en maatregelen te nemen: met een soort van vuistemmer-zonder-bodem (een zogenoemde “snotkoker”) werd het betreffende bolgewas terstond geïsoleerd van zijn soortgenoten en met een flinke kluit omhullende aarde uit de grond gehaald.
 
Toen mijn grootvader al dik in de tachtig was, werd hij nóg te hulp geroepen om van al afgekeurde partijen tulpen of narcissen (‘grijs’) alsnog te beweren dat het om een beetje zonnebrand ging en dat de keurmeester een dag later maar terug moest komen voor een herkeuring. En zo werden die hele partijen dan alsnog goedgekeurd en kon de baas van het spul weer naar beneden gepraat worden in zijn bollenschuur waar hij op de zolder zijn kop al in de strop had gestoken.
 
Er was een oud-oom – een zwager van mijn grootvader – die ook werd ingezet. Hij liep volgens grootvader met een waanzinnige gang door de paden, keek meer in de blauwe lucht dan op de – in dit geval – hyacinthenbedden beneden hem en merkte daarom niet op dat hele bunders vergeven waren van het ‘aaltjesziek’. De gevolgen waren even desastreus als de uitstoot van een gemiddelde IJslandse vulkaan: het betreffende land mocht in jaren niet meer bebouwd worden, aangetast als het was door de onoplettendheid van Oom T.
 
Mijn grootvader had ook een zwarte paraplu. Kon je hinderlijke zonneschijn mee elimineren en strakker kijken. Ik verbeeld me dat de man in zijn vak onvervangbaar was (sommigen zeiden dat ook), maar dat zal wel niet zo wezen. En trouwens leer ik nu dat vrijwel iedere ziekzoeker straks altijd vervangbaar is: er komt een ziekzoekende robot aan.
 
Een robot?