Ik heb altijd een zwak voor hem gehad, voor Marinus van der Lubbe. Of die nu die Rijksdag in de fik gestoken heeft in 1933 of niet, dat zal me bij wijze van spreken worst wezen. Men leze er zelf maar de geschiedenis op na.

Ik liep op verschillende manieren en bij verschillende gelegenheden simpelweg ‘tegen hem aan’. In Leiden woonde ik lange tijd aan de Nieuwe Rijn, om de hoek van de Uiterstegracht waar  Van der Lubbe korte tijd woonde. In Berlijn probeerde ik mij er al eind jaren zeventig in de Reichstag van te vergewissen óf en zo ja, hóe Marinus het nu allemaal gef(l)ikt had. Eind jaren tachtig bezocht ik de zaal in Leipzig, waar hij en Georgi Dimitrov terecht stonden (alles was nog precies intact). Midden jaren tachtig bezocht ik Georgi Dimitrov zelve, opgebaard in zijn mausoleum in Sofia. In het gastenboek van het Dimitrov-museum in Sofia liet ik een boze boodschap achter (“Waarom Georgi Dimitrov zo hoog de Rode Hemel in steken en met geen woord reppen van Marinus van der Lubbe, Waarde Kameraden?”). En later kreeg ik een kistje met enige documentatie over Marinus, alsmede een draad die uit zijn pet afkomstig zou zijn.  

En dan lees ik dat naast al zijn maatschappelijke bewogenheid, naast zijn communisme en anarchisme (die bij hem wel eens door elkaar liepen) Marinus ook nog een goed zwemmer was en ervan droomde ooit nog eens “het Kanaal” over te zwemmen. Het zou hem door geldgebrek nooit lukken, maar hij oefende als een speer. Hij zwom regelmatig van Noordwijk naar Katwijk (en soms door naar Scheveningen) “zelfs als de stormbal gehesen was”.

Die stormbal was hem bekend. Vanuit al zijn maatschappelijke bewogenheid en politieke interesse hees hij vaak de stormbal zelf en als hij de Rijksdag echt in lichterlaaie heeft gezet, was dat zijn ‘laatste stormbal’.