Leeuwenhorst is van oorsprong een historisch landgoed van 98 ha op de oostelijke overgang van een oude strandwal naar graslanden, bollenvelden en hakhoutbosjes. Door een wilsbeschikking uit 1261 werd hier een zusterklooster van de Cisterciënzer orde gesticht. Deze abdij Ter Leede (“bij het water”) was een centrum van economische en culturele voorspoed , maar werd in de 16e eeuw door gereformeerde barbaren (een katholiek zou zeggen “dat is een tautologie”) verwoest en de nonnen werden op de vlucht gedreven naar Leiden, alwaar zij aan het Rapenburg onderdak vonden.
Er zijn in de loop der tijden zijn er verschillende erfopvolgers geweest van de oude abdij. Meest bekend werd later dat ‘andere klooster’ (het katholicisme sloeg terug), het klein-seminarie Leeuwenhorst. Dat klein-seminarie (nu congresfaciliteit) werd in alle optimisme al zo ongeveer bij de opening een doodssteek toegebracht door hervormende en traditiebedreigende Vaticaanse concilies (als seminarie heeft het alleen maar dienstgedaan van 1963 tot 1968, toen was de deconfiture wel compleet).
Maar daar tussendoor was er nog het in 1884 gestichte landgoed ‘Nieuw-Leeuwenhorst” (38 ha). Het was wat meer op de eerdergenoemde strandwal gelegen en er werden zelfs twee Leeuwenhorsten op gebouwd. Daarvan was “Kasteel Groot Leeuwenhorst” ongetwijfeld de mooiste. Cultuurbarbaarse Duitsers meenden echter juist op die plek een tankval te moeten aanleggen in 1943, met als gevolg afbraak van een monumentaal kasteel, dat inmiddels zo ongeveer uit ieders herinnering is weggevaagd (naast alle andere misdaden van het nazidom zou je nog eens moeten inventariseren hoe ontzettend veel cultuurgoed door dit ‘Kulturvolk” om zeep is geholpen). Het Koetshuis staat er nog, aan de Gooweg ter hoogte van de oude afsplitsing met de ’s Gravendamseweg. En twee pilaren ter weerszijden van het oprijpad. De zuidwestkant van het terrein herinnert nog aan de romantische parkaanleg: slingerende paden, de schilderachtige kikkervijver en de Paulinaberg. In 1953 kocht het Zuid-Hollands Landschap het landgoed en begon met de reconstructie. De oevers van de vijver kregen een flauwe helling waardoor planten als Rietorchis, Moerasrolklaver en Veldlathyrus het hier goed doen. Bijzondere broedvogels zijn Fluiter, Houtsnip en Ransuil. Er wordt gewerkt aan de aanleg van een smalle strook bos en struweel als ecologische verbinding met de duinen.
Nu is alleen Klein Leeuwenhorst nog een realiteit, ook mooi, maar – wat de naam zegt – ‘klein’. Het is een landhuis uit 1859 met een Franse tuin en een zuidoostelijk daarvan gelegen eikenhakhoutbos. ‘Groot’ Leeuwenhorst ligt noord-westelijk daarvan. Het landgoed is nu eigendom van het Zuid-Hollands Landschap en met wandelkaarten vrij toegankelijk.
Zo zijn alle Leeuwenhorsten zo ongeveer wel teloorgegaan (het congrescentrum Leeuwenhorst is een affront voor het oog geworden en een misbaksel op deze rijke cultuurgronden). Wat de dichter dichtte over het oude klooster, geldt zo in retrospectief misschien wel voor alle Leeuwenhorsten:
Ter Lee, geheiligd door gebeen,
waar is uw luister van voorheen?
Waar zijn uw kerk en kloosterzalen?
O Leeuwenhorst, wie uw terrein nog rond mag dwalen
zal het woord herhalen:
“O IJdelheid der IJdelheen”
PS Ik reken de Leeuwenhorsten gemakshalve maar even tot Noordwijk. Formeel behoren/behoorden ze allemaal tot de gemeente Noordwijkerhout, maar de aanduiding is toch meestal “tussen Noordwijk en Noordwijkerhout” en ook J.Kloos heeft in zijn ‘Noordwijk in de Loop der Eeuwen” de Leeuwenhorsten ‘geannexeerd’.

