
Een ‘tiend’ was de last rustend op een perceel of ander onroerend goed, waarbij een tiende gedeelte van de opbrengst van oogst of jongvee werd afgedragen. Meestal werd een tiend geheven over de oogst van vruchten en veldgewassen, maar het kon ook betrekking hebben op jongvee. De opbrengst werd dan vervolgens weer verkocht om zo aan de benodigde pecunia te komen voor kerk en staat (ook kerken konden dit soort van belasting heffen blijkbaar).
De “Ontvanger der Registratie en Domeinen te Noordwijk”, ene Bergsma belegde een verkoopsessie onder het toeziend oog van de notaris in het Hof van Holland. In de verkoop ging alles bij elkaar één/tiende van de aardappel-, de vlas- en de raapzaadoogst van 1867 uit verschillende dorpen in de regio. Hoe groot de opbrengst in geld was, kan ik niet meer achterhalen.

belasting of subtiele afpersing, het is van alle tijden, ook toen al een kloof tussen arm (houden) en rijkeren.