Rudolf Geel publiceerde in 1976 de verhalenbundel “Genoegens van weleer” en uit het gelijknamige verhaal citeer ik een passage, die waarschijnlijk wel enige autobiografische sporen vertoont. Over Noordwijk:

“Een hele morgen had ik achter mijn werktafel gezeten zonder dat mij iets zinnigs te binnen schoot. Toen ik mijn verloren dag besefte, ging ik naar de bioscoop. Daar was het zo benauwd dat ik knikkebollend de film uitzat en daarna terugkeerde naar huis. Op de mat lag de post, die deze middag laat bezorgd was. Behalve een paar rekeningen was er een ansichtkaart van mijn zusje. Zij bevond zich op dat moment in Noordwijk, waar mijn ouders een appartement hadden gehuurd. Het was een erg droevige kaart. De vuurtoren stond erop en aan de voet daarvan begon de boulevard. De foto was uit zee genomen. Onderaan de kaart schuimde de branding. Geen moeite had de fotograaf te veel geleken om een belangrijk deel van de badplaats vast te leggen op het celluloid. Haat geeft de mens nu eenmaal vleugels. Het was een ronduit smerige foto. De zee leek op de ontlasting van een zieke hond. De vuurtoren en de hotels rechts daarvan waren ook al uitgevoerd in een technicolor die deze bouwwerken onthechtte van de werkelijke wereld. De lucht was uitgevoerd in lila. Ik begreep onmiddellijk dat mijn zusje deze kaart heel zorgvuldig voor mij had uitgezocht. Dat waardeerde ik in haar. Geen moeite was haar ooit te veel om haar walging tegenover de toeristenkermis van de voormalige strandjutters uit te drukken. Ik stelde mij voor met welk een verbeten trek op haar gezicht zij aan een tafeltje zat, terwijl ze deze tekst schreef op de achterkant: ‘Groeten. Worsten, petjes, bier.’ De cryptische mededeling vervat in deze tekst, probeerde ik onmiddellijk in verband te brengen met de fantastische kleuren aan de voorzijde van de kaart, maar de tekst bracht mijn oorspronkelijke interpretatie van de voorstelling aan het wankelen. Het was natuurlijk zeer goed mogelijk dat zij een verdere ironisering van de vakantiegenoegens om zich heen op het oog had. Maar voor worsten en vooral petjes was het toch wat laat in het seizoen. De petjes stonden allang weer in de fabrieken van het Ruhrgebied. God strooit zijn overdaad aan tuig over de stranden uit, maar neemt het na verloop van tijd gelukkig ook weer in. Misschien moest ik het kleiner zien en sloeg de tekst op mijn vader, die speciaal in zijn vakantie niet viel weg te branden van de kraampjes met rolmopsen en gebakken vis. Het leek mij echter ook aannemelijk dat de tekst samen met de foto haar eigen situatie moest verbeelden: opgesloten in een flat tussen onze in verval geraakte ouders, om bij te komen van de spanningen via het inademen van frisse buitenlucht. Wat wil je eigenlijk nog meer? (….) Een laatste mogelijkheid was dat geen van mijn gissingen klopte en dat het in Noordwijk ook nu nog wemelde van goedkoop vakantievolk en dat zij elke avond de flat ontvluchtte om zich tussen de bierdrinkers te mengen en zich uit afschuw voor haar situatie te laten gebruiken.”

Benieuwd naar ‘de smerige foto…….’