Binnenkort komt bij Veilinghuis Kendzia in Hamburg een boek te koop, uitgegeven in Noordwijk in 1689. Het gaat om het mooi gekalligrafeerde werk van de hand van ene Michiel Komans, getiteld  “Dienstige Voorschriften Voor de Leergierige inde Schryvkonst / Geschreeven en Gesneeden door Michiel Komans.” Deze Michiel Komans was geen Noordwijker van geboorte, waarschijnlijk kwam hij uit Amsterdam. Tenminste als we afgaan op een advertentie in de “Extraordinaire Haerlemse Donderdaegen Courant” van 19 Februari 1688: “Michiel Komans, die tot heden te Amsterdam schoolgehouden en sig nu innet school van sijn overleden vader tot Noortwijck begeven heeft presenteert sijnen dienst en sal nevens goet tractement sijn discipelen onderwijsen in ‘t Lesen, grondig Schrijven, Tekenen, Rekenkonst en ‘t „Koopman” of Italiaensch Boekhouden, de kortste en koopmans-gebruijckelijcke maniere, nevens een continueele ondewijsing en oefening in de Franse tael en hopen van ijegelijek goet genoegen te geven”.

Over Michiel Komans kan ik verders niet zo heel veel vinden: hij was dus met zoveel woorden onderwijzer, die de jeugd vooral onderrichtte in het lezen, goed schrijven, tekenen, rekenen en ‘Italiaans boekhouden’ (benieuwd wat dat laatste nu weer inhield). Veel meer is er niet. Bij zijn dood in 1702 schreef de doopsgezinde Haarlemse predikant Adriaan Spinniker (1677-1745) een lang berijmd loflied op Michiel onder de titel ‘Menalkas: Herderszang op de dood van Michiel Komans’ (waarbij Menalkas een mythologische herder was uit de 5e eeuw vóór Christus, vereeuwigd door de Griekse geschiedschrijver Herodotus). Ik citeer uit deze herderszang de eerste strofen, waarin het ‘lustig’ Noordwijk van die tijd toch maar even mooi wordt weggezet als het Nederlandse Athene, dat – om zijn stand alom vermaard en nog meer door de beoefening van de kunsten – het waard is te minnen:

De koude Wintertyd had naauw zyn end bekomen,

De Lente naauwelyks zyn fris begin genomen,

En ’t vruchtb’re veld zag ’t eel gebloemte en jeugdig kruid

Pas opgeschooten, dat de dert’le kudden uit

De muffe stallen lokte, om nieuwen lust te vinden,

Als Dafnis zyn Menalk, den roem van zyne vrinden,

Van wien hem lang de koude en drokke bezigheid

Hield afgezonderd, schoon zy beide door ’t beleid

Van brieven reis op reis hun vaste Vriendschap voedden,

Besloot eerlang te zien, daar zuiv’re Rynse vloeden

By ’t Nederlands Atheen begroeten in hun vaart

Het lustig Noordwyk, om zyn stand alom vermaard;

Noch meer door de oefening van konsten, waard te minnen,

Wier nutte kundigheid Menalk den teêre zinnen

Der weetensgraage Jeugd inscherpte vol van vlyt.