
Noordwijk Binnen was rond de voorvorige eeuwwisseling over het algemeen rijker en ook katholieker dan Noordwijk Zee. Met het toen geldende censuskiesrecht was het dus niet zo vreemd dat de ‘papen’ in de gemeenteraad de overhand hadden. Dit tot groot verdriet van de ‘geuzen’ die alles uit de kast haalden om toch ook maar een stevige vinger in de gemeentelijke pap te krijgen. Dat ging aloude wijze van-dik-hout-zaagt-men-planken: de protestantse ‘Heer van Noordwijk’, de Graaf van Limburg Stirum – edelman of niet – had zowaar een wat minder edele manier gevonden om de zaak van het emancipatoire protestantisme te dienen: hij perste het katholieke volksdeel simpelweg af door de landhuur aan katholieken op te zeggen en hen ook anderszins niet langer meer te ondersteunen. Dit zolang C.J.L. van der Meer als tweede katholieke wethouder zou aanblijven. Een tweede notabele, de lutherse Tappenbeck van Huis ter Duin, voegde zich bij de graaf en schreef in ‘het plaatselijk weekblaadje’ voze artikelen tegen Van der Meer. Van Limburg Stirum diende in de gemeenteraad ook nog eens een motie van wantrouwen in, die vrijwel geen steun kreeg.
Van der Meer ging uit van de veronderstelling dat dit alles tegen hemzelve gericht was en wilde best plaatsmaken voor een andere wethouder, vermits het maar een roomsch-katholieke wethouder zou zijn. Zo niet, dan was alles gericht op een heel ander doel, namelijk het verkrijgen van meer protestantse invloed in het gemeentebestuur. Maar dat ging dan weer in tegen de toen geldende democratische verhoudingen.
Enfin. Van der Meer zou geen plaatsmaken, maar allengs won ook Noordwijk aan Zee aan meer rijkdom en invloed en met de invoering van het algemeen kiesrecht voor mannen (1917) en vrouwen (1919) was dit soort van gekissebis voorlopig weer uit de Noordwijkse lucht.

Podoome zeg! Das een vondst dit stukje. Had ik hier eerder lucht van gekregen dan had ‘ie zeker in het dikke boek gestaan. groetjes, Willem.