
Het oude Leeuwenhorstklooster heeft iets vermaards: het heft bestaan en we weten ook ongeveer wáár het gestaan heeft, maar het is eigenlijk zo goed als verdwenen en ik geloof niet dat er veel restanten ooit zijn opgegraven. Begin Jaren Negentig van de vorige eeuw publiceerde Geertruida de Moor haar proefschrift over dit klooster onder de titel “Verborgen en geborgen”. De ondertitel luidde: Het Cisterciënzerinnenklooster Ldeuwenhorst in de Noordwijkse Regio (1261-1574).” Dat ‘Noordwijkse regio’ is wel weer mooi geformuleerd, want eigenlijk stond het klooster in Noordwijkerhout, maar ja. Het was wel gesticht door de gebroeders Arnold en Walewijn van Alkemade uit Noordwijk en de eerste abdis – Clarissa van Noordwijk – had ook zo haar banden met Noordwijk, dus vooruit. Hieronder neem ik de wervende tekst over bij de uitgave van het boek van Geertruida de Moor (dat alleen antiquarisch nog verkrijgbaar is).
Ik heb overigens altijd gedacht dat het klooster ten onder is gegaan door plundering en brandstichting door de Watergeuzen, een groepje ongeregeld, dat zich op den duur wel ontpopte als ware revolutionairen, maar toch voornamelijk bestond uit op de vlucht geslagen calvinisten, aangevuld met struikrovers, dieven en ander tuig. Maar dat verhaal is niet juist. Toen de Watergeuzen in 1571 bij Katwijk landden namen de nonnen van Leeuwenhorst de kuierlatten naar Leiden, waar ze zich veiliger waanden. In 1573 zou de abdij door Leienaren zijn vernietigd, om te voorkomen dat de Spanjool het zou gaan gebruiken. Barbaarse Leienaren dus, die dit allemaal zouden hebben gedaan tijdens het beleg van hun stad. Hoe dat nou weer kon, weet ik niet.
Op 14 oktober 1261 schonken Arnold en zijn broer Walewijn, zonen van wijlen heer Walewijn van Alkemade, al hun roerende en onroerende goederen in Noordwijk en Langeveld om op de plaats die Le werd genoemd een cisterciënzerinnenklooster te stichten ‘tot verlichting van de ziel van onze vader en de zielen van al onze voorouders en weldoeners’. Na een onderzoek van gedelegeerden van de cisterciënzerorde werd Leeuwenhorst in 1275, of kort daarvoor, in deze orde opgenomen. Het kwam onder toezicht van de abt van Kamp, het oudste cisterciënzerklooster van het Duitse Rijk. De reguliere visitatie vond om de twee jaar plaats. De abt kwam ook als er een nieuwe abdis gekozen moest worden en vertegenwoordigde het klooster op het generaal kapittel. Leeuwenhorst was niet alleen geestelijk, maar ook sociaal een vrijwel besloten gemeenschap, waarin bij uitstek dochters uit het huis van de stichters en verwante families een levensvervulling konden vinden. Op boeiende wijze beschrijft De Moor dit verborgen en geborgen leven: de achtergronden van de 187 bekende religieuzen, de functies die zij en de lekezusters bekleedden, de andere personen betrokken bij de kloostergemeenschap, de ordening van het gemeenschapsleven (kloosterlijke discipline, koorgebed en muziek, verering van het heilig Sacrament en Maria, voeding, vasten en onthouding, ziekenzorg), de financiële situatie van de abdij, haar relatie met de geestelijke en wereldlijke autoriteiten en de religieus-sociale invloed die zij op haar omgeving uitoefende. Door de verklarende woordenlijst, uitgebreide literatuurlijst, kaarten, grafieken, genealogische tabellen en indices is deze gedetailleerde studie tevens te gebruiken als naslagwerk.

aan t laantje staan twee grote zuilen en aan t eind van t zelfde laantje staat een oude boerderij en de laatste restanten zijn in een ver verleden gelicht,vgl de kokkerhouters schenen er alleen nonnen van rijke kom af te hebben gezeten.