
In deze bloggenreeks komt de dichter/hoogleraar Albert Verwey vaak naar voren. Dat is niet zo gek, als het gaat om de betekenis die hij voor Noordwijk heeft gehad (en de betekenis die Noordwijk had voor hem). Maar hoe was hij in Noordwijk, meer in het bijzonder, in die – wat mij betreft – iconische Villa Nova terecht gekomen? Maurits Uyldert geeft uitsluitsel:
Waarom zou ook niet hij een woonplaats zoeken waar hij zich aan studie en contemplatie, zonder stoornis te duchten, overgeven kon? Maar zijn nieuwe woonplaats moest aan één voorwaarde voldoen. Een bibliotheek moest in de nabijheid zijn. Daarom werd o.a. aan de omstreken van Leiden en van Den Haag gedacht. Kitty en Albert gingen op onderzoek uit, eerst naar Wassenaar, en toen, op eenmaal, werd Villa Nova te Noordwijk ontdekt.
Het was, voor jonggehuwden, een groot huis, met een stal aan de overzijde van den weg. Maar het stond eenzaam aan de landzijde der duinen en die eenzaamheid welke voor geestelijken arbeid rust waarborgen kon was aantrekkelijk. De verbinding met Leiden, een rammelend stoomtrammetje dat om de twee uur reed en dat met veel oponthoud zijn weg vond, slingerend door het kostbare bollenland, was primitief, maar men wist in dien tijd, toen de elektrische tram hier te lande nog niet ingeburgerd en de automobiel nog niet populair was, niet beter. Bovendien, wie lezen wilde kon ook lezen in de tram.
Villa Nova was oorspronkelijk bewoond geweest door professor d’Ablaing van Giessenburg, die paard en rijtuig hield en wiens koetsier op een kamertje op de eerste verdieping sliep. Dit kamertje werd door de Verwey’s als logeerkamertje gebruikt, maar het bleef, naar de oorspronkelijke bestemming, tot op den huidigen dag ‘koetsierkamertje’ heeten. Professor d’Ablaing was, na het huis één jaar bewoond te hebben, gestorven, en zijn weduwe had zich gehaast een minder eenzame woonplaats te vinden. Want Noordwijk aan Zee wàs eenzaam. Het lag te afgelegen om als badplaats in trek te zijn; Katwijk was toen gemakkelijker te bereiken. Behalve Villa Nova was er alleen nog Villa Styrum, eveneens aan de landzijde van de duinen, en verder was er niets dan het kleine visschersdorp, met, aan zee, een paar kleine hotels voor de schaarsche zomergasten.
Villa Nova had vier jaar leeg gestaan toen het door de jongelui ontdekt werd. Mevrouw van Vloten kocht het huis op de helling van het hoge duin van welks helm-begroeide top men over het dorp heen keek en de zee kon zien; en Verwey werd haar huurder.
(Uit: “De Jeugd van een Dichter – Uit het leven van Albert Verwey” door Maurits Uyldert; cv Allert de Lange, Amsterdam, 1948)

Is dit niet één van de sierspanten van Villa Nova?
https://www.erfgoedleiden.nl/2173bbd2-26bd-11e3-b5ba-3cd92befe4f8
Grt, Michel