
Het was een zootje in de Nederlanden aan de vooravond van de Napoleontische tijd. De Bataafsche Republiek bleek niet helemaal stabiel te wezen. Tot 1798 regeerde de Tweede Nationale Vergadering die moeite had met ook maar een béétje doortastende besluitvorming. Maar ja, de afgevaardigden moesten dan ook rekening houden met 40.000 (!) kiesmannen. In januari 1798 vond onder leiding van Daendels een staatsgreep plaats. De unitariërs, voorstander van een eenheidsstaat, lieten met behulp van de Franse ambassadeur Charles Delacroix hun politieke tegenstanders, de federalisten, arresteren. Het roer kwam in handen van het zgn. Uitvoerend Bewind.
Leienaar S.J. van Langen (1758-1847) was fervent unitarist en ook lid van dat Uitvoerend Bewind. Hij was een vooraanstaande radicale (democratische) patriot , maar ook een grote Leidse lakenfabrikant. In Leiden was hij al eerder politiek actief geweest, maar in zowel de Eerste als de Tweede Nationale Vergadering (van 1 maart 1796 tot 22 januari 1798) had hij zitting namens het district Noordwijk-Binnen. In het Uitvoerend Bewind was hij belast met de portefeuille Buitenlandse Zaken, maar na weer een staatsgreep in juni 1798 was zijn politieke rol grotendeels uitgespeeld.
Vanwege vermeende malversaties of pogingen tot zelfverrijking zattie nog een tijdje in het gevang. Na zijn vrijlating bleek zijn fabriek geheel verlopen te zijn, waardoor hij geheel verarmd was. Onder koning Lodewijk Napoleon is hem een jaargeld toegekend dat ook onder koning Willem I en koning Willem II nog werd uitbetaald.
