In zijn nieuwste boek “De Veertiende Etappe” een nieuwe reeks van prachtige wielerverhalen van Tim Krabbé. Nou ja ‘nieuwste’: ook eerdere wielerverhalen, gebundeld onder de titel “43 wielerverhalen”, staan erin, zodat ik nu 43 teksten dubbel heb. Mais soit.
In één van die verhalen breekt Krabbé een lans voor de stelling dat wielrennen eigenlijk geen werken is, ook profwielrennen niet. Wielrennen is wat hem betreft zoveel als het najagen van een droom (met grote kansen op mislukking), als ik het even kort door de bocht formuleer. Hij schrijft:
Nooit hoorde ik het misverstand dat fietsen ‘werk’ zou zijn raker ontkracht dan door een andere beroepsrenner. Dat was in 1974, in de Molenploeg, waarin ik toen bijna dagelijks meereed. Ach, wat moesten wij hard werken, midden op de dag, blootgesteld aan aprilzonnetje en lentebries, op de verschroeide flanken van de duinen tussen Scheveningen en Zandvoort. Op de boulevard van Noordwijk, midden in ons peloton van hoofdzakelijk beroepswerklozen, schudde die wielerarbeider zijn vuist naar de mensen op de terrasjes, en riep: “Werken, schoften!”
NB De Molenploeg was een groepje, veelal Amsterdamse renners, die gemeenschappelijk trainden. Gerrie Knetemann reed vaak met die gasten mee.

