Een broertje van Hatto, Wolfgang Tappenbeck, moest zich na de oorlog bij het wettige gezag verantwoorden voor zijn vermeende collaboratie met de Duitse bezetter. De zaak zou in de volksmond de “Huis ter Duin Affaire” gaan heten en tot mei 1946 voortmodderen. Toen werd Tappenbeck vrijgesproken.
Het was alles bij elkaar een wat tragische situatie, want Wolfgang stond er eigenlijk helemaal alleen voor. Hatto zat in de VS en andere broer Rudolph was door de Duitsers gevankelijk weggevoerd en omgekomen in het concentratiekamp Neuengamme vanwege door hem gepleegde verzetsdaden. Wolfgang en Rudolp hadden samen de exploitatie gedaan van het hotel, maar moesten met hun nering later uitwijken naar de Villa “Sans Souci” aan de Prins Hendrikweg, omdat Huis ter Duin midden in het spergebied was komen te liggen. Als notabelen hadden ze ook – min of meer gedwongen – acte de presence gegeven bij de installatie van NSB-burgemeester Gerhard Musegaas en dan hadden ze blijkbaar ook nog contact gehad met de roofbankier Alexander Rebholz, die wél opzichtig geheuld had met de Duitsers (hij werd later weliswaar veroordeeld, maar uiteindelijk werd-ie met zijn niet eens ontnomen Nederlands paspoort gewoon de grens over gezet).
Enfin, alles werd er bij gehaald om de Tappenbecks in een kwaad daglicht te stellen. En los van de verzetsdaden van Rudolp was dit eens te meer nogal cynisch, waar een Noordwijkse gemeentesecretaris en een Noordwijkse wethouder gewoon de hele oorlog in dienst bleven. Ongetwijfeld met goede bedoelingen, maar toch.
Wolfgang diende al op 19 juni 1945 een verweerschrift in, maar pas een jaar later werd hij van smetten vrij verklaard. Hij ‘deed’ Huis ter Duin nog een aantal jaren, maar vertrok later naar Portugal, waar hij in 1979 stierf.

