Ik schreef onlangs over de viezigheid die peerden vroeger altijd achterlieten op het strand. Misschien doen ze dat nog steeds. Ik vond altijd dat dat gedierte verbannen moest worden van de door mens en kind bevolkte stranden. Het waren bovendien nerveuze krengen, die schrokken om het minste of geringste. Als kind was ik altijd bang voor dat soort peerden.
Ik was niet bang voor de peerden van de schelpenvissers. Dat waren over het algemeen goedmoedige lobbessen, die met eindeloos geduld wachtten tot de baas weer een nieuwe sleep schelpen op de kar had gedeponeerd. Mooie paarden waren dat. Die mochten van mij alles.


Kom kom Pjotr, van die viezigheid zoals als jij het noemt is nog nooit een vis in zee ziek geworden Van achtergelaten Plastic wel. Kijk, toen de maandagse wetering via de Schie naar de oude Rijn in Katwijk de fecaliën in zee loosden en de stroming richting strand was, Ja toen was het echt tijd om in te grijpen. Maar met die paar paarden en triljoenen liters zeewater ( en wie drinkt er nu zoutwater?) was er niets aan de hand. Sterker nog in die tijd waren de mensen minder snel ziek omdat ze een behoorlijke weerstand hadden opgebouwd.
Je hebt aan dat laatste wel gelijk en dat geldt ook voor al dat plastic. Maar ik bleef die paardenpoep op het strand toch vies vinden. Nu loop ik met een plastic zakje achter mijn poepende hondje aan (uit hygiëne én om een fikse boete te voorkomen), maar zo iemand liep vroeger nooit achter de peerden aan. Zelfs nu nog niet: de peerden bij mij uit de naburige manege droppen alles nog altijd ongestraft op straat!