IMG_0609.JPG

Mr. P. (Peter) Otten (1885-1926) was onder meer substituut-griffier van de rechtbank in Amsterdam, ambtenaar bij de gemeente Amsterdam en tenslotte secretaris van het college van curatoren van de universiteit in dezelfde stad. Maar hij was ook dichter. Voor zo ver ik kan nagaan verscheen in 1926 één bundel van zijn hand ‘Schaduwen’, waaruit dit gedicht over een Grijze Dag in Noordwijk aan Zee (ook de titel van het gedicht):

 

Grijze Dag. Noordwijk aan Zee.

 

De zee heeft geenen einder meer;

Zij lijkt onwerkelijk, een droom

Van grijze en zilv’ren tinten teer

Boven de witte brandingzoom.

 

Daar zwerft geen vogel aan de lucht;

Geen zeil, dat in den nevel hangt –

Geen vorm beweegt – en geen gerucht,

Dat mijn geloken aandacht vangt.

 

Maar immer deunt een klaagzang, die

Bij wijlen zwelt, bij wijlen kwijnt:

De eentoon’ge golvenlitanie,

Die geen begin heeft, en geen eind.

 

En met den melodieuzen val

Dier vage bidstem van de zee

Klinkt uit der ziel verholen hal

Een eender-deinend zingen mee.

 

Ik weet de verre tijden niet

Van mijn doorlachen, prilste Lent,

Waar ‘k niet dit stil, eenzelvig lied

In wakk’re nachten heb gekend.

 

Hoe dat het éénig wezen kan,

De vreemde mijm’ring van het kind,

En ’t droomen van den rijpen man,

Die buiten ’t leven zich bezint?

 

Zoo sta ‘k nog met denzelfden schroom

Voor ’t oude wonder van weleer….

’t Is àl een grijze en zilv’ren droom….

De zee heeft geenen einder meer.