gas2

Uit de Wikipedia:

Een gaspenning of gasmunt is een muntje waarmee men tot in de jaren 50 van de 20e eeuw het gasverbruik in vele gemeenten kon betalen. Hiervoor was in de meterkast een speciale meter, een muntmeter, geïnstalleerd, die door de meteropnemer werd geleegd. De munten kocht men uit muntautomaten die in de wijken waren geplaatst door het gemeentelijk gasbedrijf. Het doel van de gaspenningen was te voorkomen dat mensen een te grote betalingsachterstand opliepen bij het gasbedrijf.

In tegenstelling tot een verkoopautomaat had een muntmeter geen verfijnde apparatuur om de penning te controleren. Dat was niet nodig: als er valse munten in de meter werden gevonden, wist men wie daarvoor aansprakelijk was.

Vóór de Eerste Wereldoorlog werden gewone geldstukken gebruikt. De gasprijs was toen 6 à 7 cent per m³ en er werd door de gasmeter na inworp van 3 munten van 2½ cent 1 m³ gas afgegeven.

Na de Eerste Wereldoorlog steeg de gasprijs (ca. 16 à 17 cent per m³), maar de gasmeters leverden nog steeds 1 m³ voor drie halve stuivers. Hierdoor beantwoordde de muntmeter niet meer aan zijn doel – het voorkomen van betalingsproblemen. De gebruikers moesten, elke keer als de meter geleegd werd, bijbetalen, en dat leidde tot veel problemen en afsluitingen. Ook werd er door winkeliers geklaagd over het gebrek aan 2½-centmunten: deze werden door de mensen voor de gasmeters opgepot. Daarom werd besloten penningen in te voeren ter grootte van de halve stuiver (23,5 mm). Deze penningen werden verkocht voor een zodanige prijs dat er niet meer bijbetaald hoefde te worden. Veel gemeenten bouwden de meters om zodat er 1 m³ per penning werd afgegeven, maar er bleven hier en daar penningen voor 1/3 m³ in gebruik.

Toch bleek dat veel mensen – uit geldnood of gebrek aan gaspenningen – nog halve stuivers in de meter bleven werpen. Echte fraude was dat niet, de dader was immers bekend en men hoefde alleen maar te eisen dat het juiste bedrag werd betaald, evenals in de tijd dat het gebruik van halve stuivers geoorloofd was, maar het resulteerde natuurlijk wel in betalingsproblemen. Er werd besloten alle meters te voorzien van een ronde pen in de inwerpsleuf en alle gaspenningen van een halfronde uitsparing, de zogenoemde knip, zodat halve stuivers niet meer pasten. Dit systeem was echter niet waterdicht: sommige gebruikers vijlden een knip in de halve stuiver.

Een ander soort gaspenning zijn de zinken gasmuntjes van 2½ cent, 10 cent, 25 cent en 1 gulden. Deze zijn in 1942 op verzoek van diverse gemeenten, waar gasmeters in gebruik waren die op gewone munten werkten, aangemaakt ter vervanging van de door de Duitse bezetter ingenomen koperen en zilveren munten. De nieuwe zinken oorlogsmunten hadden een andere maat en pasten daardoor niet in de muntmeters.

Met de komst van de geiser is de gaspenning verdwenen: vanwege de waakvlam in deze apparaten was een ononderbroken gaslevering vereist en was combinatie met een muntmeter niet toegestaan. De meeste gaspenningen zijn afgeschaft rond 1955-1958, na de invoering van het aardgas. Af en toe komt men op ruilbeurzen nog wel gaspenningen tegen. Tegenwoordig wordt in Noord-Holland een proef uitgevoerd met energiemunten voor mensen met betalingsproblemen.

Er bestaat een anekdote over een fraudeur die muntjes van ijs gebruikte. Hij had een mal gemaakt door een gasmunt in een stuk zeep te drukken. Hij vulde de holte met water en liet dat buiten bevriezen. Koelkasten waren er nog niet, dus dit kon alleen ’s winters. Na gebruik smolt en verdampte de valse munt, zodat er geen sporen in de meter achterbleven.