
Israël Querido (1872 – 1932) kwam uit een arm gezin en moest al jong zijn eigen brood verdienen. Dat deed hij onder meer als horlogemaker, violist, diamantbewerker, juwelier en journalist. Als schrijver debuteerde hij in 1893 met een bundel gedichten onder de titel Verzen, spoedig gevolgd door Gedichten (1894), geschreven onder de indruk van een bezoek aan Parijs. Beide boeken verschenen onder het pseudoniem Theo Reeder. Daarna schreef hij ook kritieken, die deels gebundeld werden. Hij verwijderde zich geleidelijk van het naturalisme en schreef naar het voorbeeld van Louis Couperus een grote historische romancyclus, hoewel hij eerder diens historische werken zwaar gekritiseerd had. Hij was in socialistische kringen populair, mede dankzij zijn column in het dagblad Het Volk, ‘Uit het dagboek van Querido’. Hij had al lange tijd last van een zwak hart, maar zijn dood kwam toch nog onverwacht, toen hij 59 jaar oud was.
Zijn tijdgenoot Henri Borel betreurde in een in memoriam de onkritische bewondering die Querido in zijn jonge jaren ten deel was gevallen, waardoor hij de overladenheid en gezwollenheid van zijn taalgebruik steeds verder opvoerde, tot het onleesbaar werd, een ‘litterair stotteren’. Israël Querido werd daardoor al sinds lang niet meer gelezen. En dat is jammer, want hij was wat mij betreft en uitstekend polemist, die de meest scherpe schotschriften aan het papier toevertrouwde.
Zijn meest favoriete doelwit was ‘de Eenzaame in Noordwijk’, waarmee hij Albert Verwey bedoelde, een man die in Noordwijk althans als een god werd beschouwd. Maar Querido dacht daar heel anders over:
een zeegod is Verwey nog lang niet,____tenzij Noordwijksch stranden ook roode hallucinaties van overgrooten waan vangen tusschen zoet golfgeruisch, en een brandend roem-verlangen van een eenzame ziel naar aardsche oorden heenfluisteren!
En verders in zijn bundel “Over Muziek en Toneel” gaat het er helemaal vernietigend aan toe:

