eest

De winkel van J.v.d. Geest was in mijn herinnering een soort Winkel van Sinkel. Er was van alles te koop: van speelgoed en strandartikelen tot porceleinen serviezen en kookpannen. Van timmergereedschap tot bezemstelen, van zonnewering tot vliegenvangers. Het waren eigenlijk twee winkels naast elkaar, de middenmuur was er uit gesloopt. In het midden was een magisch luik dat toegang gaf tot een ruime kelder met licht, waar J.v.d. Geest zijn voorraden had opgeslagen.

Ik vond J.v.d. Geest een fijne man: hij liep altijd in een onberispelijke beige stofjas, lachte altijd, kneep altijd gemoedelijk in de wang en vroeg altijd de groeten te doen aan mijn ouders, die hij kende van de kaartavonden van het collectantencollege (hij speelde nooit vals, volgens mijn vader). Ik kwam er pas later achter dat J.v.d. Geest eigenlijk “Jan van Dijk” heette. Toen hij de winkel opdoekte, kwam ik hem nog vaak tegen in het dorp. Altijd vrolijk, altijd een lach op zijn gezicht, altijd de groeten aan mijn ouders. Mijn ouders vonden hem ‘een moordvent’. Veel mensen vonden dat.