Meisjes hadden vroeger poëziealbums (ze spraken het vaak uit als ‘poessie-albums’) en de kunst was zoveel mogelijk rijmpjes (poëzie) binnen te slepen, veelal met een moraliserend karakter, of in ieder geval: literatuur met een boodschap. Ouders, broers en zussen, juffen en meesters, opa’s en oma’s, neven en nichten en vrienden en vriendinnen. En dan moest je ook nog plaatjes bijplakken die je in de winkel kon kopen (vaak ‘poessies’, want het begrip ‘poëzie’ had het allang afgelegd).
Li-st heeft een paar mooie uit háár poëziealbum op het net gezet en ik pik er eentje uit van Juffrouw Van der Schalk, die ik ook vermocht te kennen (ze was hoofd van de zgn. Finse School). Ze schreef op 24 februari 1967 het volgende poëem:
Nog sta je aan de ingang van het leven,
’t kan rozen, maar ook doornen geven.
God weet alleen je volgend lot
Maar wat je mag treffen of ervaren
Zijn goedheid zal je steeds bewaren.
Daarom: verlaat je steeds op God.
Zoveel zwaarte, zoveel gewicht mag wel een beetje gecompenseerd worden door een lichtere toets. Die wordt mij blindelings aangereikt door wijlen Cees Buddingh. Zijn bijdrage aan een denkbeeldig poëziealbum ken ik nog steeds uit mijn hoofd:
Je vader die trekt flessen,
en je moeder die schaatst scheef,
maar jij blijft mijn vriendje
zo lang als ik leef


Wat leuk al die versjes, mijn album ben ik al 45 jaar kwijt!. Ook in de klas gezeten bij juffr. v.d. Schalk en Juffr. van Zogchel. Deze laatste woonde aan de Nieuwe Zeeweg bij van Rhijn. Zij huurde het linker gedeelte van het pand.