Toen zij een kind was
Leefde zij dicht aan het machtigste hart der zee
Dat het machtigste hart is der aarde
Zij hoorde zijn stem als zij staarde
Langs den duintop naar benee
Of langs zijn rand liep, waar de golven sterven
Festoenen trillend-paarlemoeren kant
Op ’t zilverwitte zand
Zij hoorde zijn klacht tot haar overzwerven
Nachts, door de stilte van het huis
En hoorde daarin
Haar eigen donkergrooten drang
Opkomen, breken en verstillen
Want de stem van de zee is de moederzang
Van alle vage en halfbewuste willen
Alle begeerten dat zijn doel niet kent
 
De vrouw in het woud – Henriette Roland Holst (1869-1952)