Gisteren ontving Herman van Rompuy, de voorzitter van de Europese Raad uit handen van voormalig premier Wim Kok de Otto von der Gablenzprijs 2012. De onderscheiding is bestemd voor mensen die zich hebben ingezet voor de goede betrekkingen tussen Nederland en Duitsland en/of voor de Europese gedachte.

In zijn ‘laudatio’ refereerde staatssecretaris Ben Knapen aan Van Rompuy’s favoriete dichteres, Henriette Roland Holst, die als Noordwijkse al vaak in deze bloggenrij is langsgekomen. De aardigheid waard om 2 passages uit Knapens toespraak naar voren te halen:

Van Rompuy begon zijn ‘Getuigenis van een dertiger’, verschenen in 1979, met dit gedicht van Henriëtte Roland Holst:

Op de kentering der tijden geboren,

in onze ogen nog de ondergangen

van de oude werelden die verbleken,

onze lippen geplooid ten nieuwe groet,

en in ons hart een tweedracht van verlangen

naar dromen van weleer, die wij verloren,

naar de nieuwe, wier bloesems openbreken.

En verderop:

Herman zegt in dit interview dat de Europese leiders en hijzelf gemotiveerd zijn omdat zij beseffen dat het overleven van de eurozone noodzakelijk is voor het overleven van de Europese Unie. En dat de Europese Unie de garantie is voor vrede en democratie. Het tekent Van Rompuys consistentie. Of, beter nog, het tekent zijn ‘rustige vastheid’ ─ één van zijn favoriete citaten uit het werk van Henriëtte Roland Holst; zelfs zo favoriet dat hij en zijn vrouw Geertrui hun huis in Sint-Genesius-Rode dezelfde naam hebben gegeven: Rustige Vastheid. Het is precies deze rustige vastheid die Herman van Rompuy tot de juiste voorzitter van de Europese Raad maakt.

Tenslotte dan ook dat prachtige gedicht van Henriette Roland Holst zelf:

OVER RUSTIGE VASTHEID DIE IK VOND

De mensen zijn in twijfel gevangen,

’t gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,

nu kom ik ze vertroosten met gezangen

van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.

Ikkanbemoediging zijn voor de bangen,

de klare stem die altijd rustig spreekt,

omdat mijn hart dat geen angstvallig hangen

aan wolken kent, ziet wat door wolken breekt.

Ik werd geboren met een aard die sterk

van zelf gaat naar de kern van alle zaken

maar veel stond tussen mij in en mijn werk.

Groeiende, heb ik dat opzij gezet:

het werd al lichter, alle duisters braken

en ik zag liefde als de levenswet.

 Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven