We werden door ons moeder zo ongeveer naar het strand geschopt, vroeger. Om 10 uur naar zee en we werden geacht om niet eerder dan 6 uur ’s avonds thuis te komen. Paar boterhammen mee en een fles Riedel of Exota, waar altijd zand in kwam. Zwemmen en zonnen en geiten met je vriendjes uit de buurt of van school. Meestal op het strand voor Palace. En we kregen een paar dubbeltjes mee voor een ijsje.

IJsjes kon je overal kopen aan de boulevard bij de Koelewijn- of de Groko-kar. Je kon ook iets verder lopen naar de Groko aan het begin van de Hoofdstraat of naar Van Rooyen.

Je kon ook nóg verder lopen: naar Jamin, helemaal halverwege de Hoofdstraat en dat deden we. Want daar hadden ze het lekkerste ijs. Romiger dan romig. Een rechthoekig plakje ijs, verpakt in een vetvrij wit papiertje. Tien cent. Je kon er – geloof ik – een wafel bij krijgen als je daar om vroeg. Maar meestal niet. Meestal likte, zoog en at je het ijs uit het papier. En om niks te kort te komen stopte je het papiertje nog in je mond als er helemaal niks meer van over was.

Dat ijs kwam uit de koelkast die daar zo pontificaal voor de ramen stond. Ik kon er nooit aan voorbij lopen, de verleiding was altijd veuls te groot.