Koning Willem 1 overleed in december 1843. Hij was toen al geen koning meer, mede als gevolg van het feit dat hij als weduwnaar wilde trouwen met de Belgische (!) en katholieke (!) Henriëtte d’Oultremont. Na zijn abdicatie vertrok het aankomende echtpaar dan ook naar Berlijn, waar het huwelijk in februari 1841 gesloten werd. Op 12 december 1843 stierf de voormalige Koning aan een hersenbloeding.

Het was vervolgens nog een heel gedoe om de dood van de voormalige Koning protocollair op de juiste wijze af te wikkelen. Degene die daarvoor verantwoordelijk was, was een Noordwijker die voor dit soort dingen had doorgeleerd: Wigbold Albert Willem graaf van Limburg Stirum, kamerheer-ceremoniemeester aan het Hof. Hij was de zoon van Leopold Graaf van Limburg Stirum, die in 1813 nog diezelfde Koning Willem I op het strand van Scheveningen had binnengehaald. Zjjn moeder was een ‘Van der Does’, achterkleindochter van Good Old Janus Dousa (zie vorige blog).

De stoffelijke resten van Willem I werden eerst in een loden kist gelegd. Die werd weer in een houten kist gezet. Vervolgens ging het via Hamburg scheep naar Rotterdam. Daar kwam de kist op 30 december aan op de Rijkswerf. Voor rouwbeklag aldaar was alleen ruimte voor de Koninklijke Familie zelf. Het gemeene volk was er niet welkom, ook niet voor het betonen van de laatste eer, later, langs de weg van Rotterdam naar Delft.

Ik citeer uit een prachtige studie op internet:

“Op dinsdag 2 januari om half 7 ’s ochtends werd de kist in de Rijkswerf op een met acht paarden bespannen rouwwagen geladen. Op deze kist werden de kroon en enkele ordetekenen gelegd. Voor de rouwkoets reed alleen een erewacht, bestaande ‘uit ingezetenen van Rotterdam, die het verlangen hebben te kennen gegeven om tot geleide te dienen,’ zoals in het door Van Limburg Stirum opgestelde programma te lezen viel.”

Toen rond elf uur de Delftse Nieuwe Brug werd bereikt, voegden de koning, de prinsen Frederik, Willem en Hendrik en hun adjudanten zich, voorzien van rouwmantels, handschoenen en hoeden met lamfers, bij de stoet. Dit wijst erop dat voor hen voornamelijk de plechtigheid in de kerk van belang was. Het vervoer van het stoffelijk overschot diende weliswaar te geschieden op een manier die paste bij de positie van de overledene, maar was toch niet meer dan een transportaangelegenheid. Het werd niet beoordeeld als een evenement waarbij de Koninklijke Familie zich aan de onderdanen vertoonde en op die manier de natie liet delen in het verlies.

Op de prent te zien ging Willem met de hele rouwstoet al slalommend Zijn laatste rustplaats tegemoet. Blijkbaar had Wigbold dat allemaal zo beslist. Wigbold was naast alle andere functies die hij bekleedde o.m. ‘Maire’ van Noordwijk en Lid van  ‘Le Menage du Roi’ oftwel de Eerste Kamer.

 
 
Nota bene: de studie waaruit geciteerd is is getiteld ‘Geen nood! Al is de koning dood’, Vormgeving en regie na het overlijden van leden van de Nederlandse Koninklijke Familie in de negentiende eeuw (1813 – 1890). Geschreven door Pepijn Reuser (2008). Deze masterscriptie staat integraal op internet en is alleszins het lezen waard.