Amper twee jaar eerder was de eerste stoomtram Noordwijk binnengereden, maar in juni 1887 was er blijkens deze ingezonden brief nog steeds alle aanleiding voor burgers om hun beklag te doen over het ijzeren monster dat door hun straten ‘denderde’. Men kan het zich nu nauwelijks meer voorstellen, maar door toedoen van deze nieuwlichterij werden burgers ‘aanstonds lijken’ en werden hele rijtuigen ‘verbrijzeld’. Zo’n stoomtram kon waarschijnlijk niet veel harder dan 20 km per uur en begaf zich amechtig piepend en puffend over snerpende rails. En dan nog eiste een verontruste burger dat de conducteur op bepaalde punten stapvoets aan de tram vooraf zou gaan om onverstoorbare burgers en burgertjes te waarschuwen. Hoe dramatisch de dood van het kind ook was, het kan toch nauwelijks te wijten zijn geweest aan het ijzeren ding dat hier ‘langs het gemeentehuis in aanbouw’ strompelde.

In de ingezonden brief wordt ook nog gerept van een zekere mate van inspraak, maar die inspraak kon blijkbaar heel gemakkelijk ‘met de schoonste beloften’ worden geneutraliseerd. Kom daar vandaag de dag nog maar om in een land waar twee kilometer autoweg 30 jaar kan worden opgehouden, omdat op die plek toevallig een beschermde en onverdoofde diersoort tussen drie grassprieten zijn domicilie gekozen heeft. Met schoonste beloften, bijvoorbeeld om om die betreffende diersoort heen te rijden, komt een overheid tegenwoordig niet meer weg.